LXXIX.
Het waren altemaal surprises, wel bedacht
Door 't zusterlijk vernuft, licht in een bangen nacht,
Als, peinzende aan den vriend dien 't lot haar had ontnomen,
Zij heul en balsem zocht voor al te bittre droomen.
Rijk werd haar moeite door der kindren vreugd beloond,
Door vruchteloos gezoek en dwaze drift bekroond:
Zij zochten soms zoo lang terwijl zij ‘'t moois’ niet vonden,
Als ik, toen 'k π en κ moest zoeken voor mijn zonden!