CXI.
O vrouwelijk vernuft, zoo onuitputlijk rijk,
Zoo geestig en gevat, geen wijsheid u gelijk!
Ook ik geloof, men had zoo'n zotheid niet bedreven,
Had men des Ridders kruis aan 's Ridders vrouw gegeven!
't ‘Virtus nobilitat’ zou dan geen parodie,
Geen laster zijn geweest van wijsheid en genie....
En schoon al menigeen die stelling mij betwist heeft,
Ik hoû nog altijd vol dat men zich hier vergist heeft!