XII.
Marie! geen reiner naam trilde ooit op dichtersnaren!
Een naam, dien 'k liefheb, sinds mijn eerste kinderjaren,
De schoonste, die daar ooit van 's hemels bergen viel,
Als honing voor den mond en balsem voor de ziel;
Een naam, geschapen uit den lach der engelkoren,
Om eens der schoonste vrouw, der reinste toe te hooren.