XXV.
De man is op den duur zoo taamlijk in zijn schik
Met zijn positie in de wereld en zijn Ik;
Een luie rentenier, geschapen voor een kussen,
Met truffels opgevuld, met zotheên en - met Russen.
Hij oordeelt allen - over alles - overal,
Heeft veel congesties, veel onaangnaams en veel gal;
Is vóór het hangen, vóór het geeslen, vóór het branden,
En vindt zijn weêrga niet in 't rijk der Nederlanden.