XXVI.
Ik sprak tot iedre maagd van om de veertig jaren:
Laat, zoo ge wijs wilt zijn, de jonge minne varen!
Verbeeld u niet dat ge een magneet zijt, en pas op
Dat gij u-zelve kent, dat u geen toeval fop'!
En kijkt een heer u aan, kijk gij dan naar 't gezichtje
Van uw logeetjen, of uw dienstmaagd of uw nichtje.