XXI.
Men was sinds lang gewend aan 's jonkers vreemde kuren,
Ook, als zijn avondrid soms in den nacht mocht duren,
Werd niemand ongerust. Hij was al vaak verdwaald;
Eens had hij in het bosch twee stroopers achterhaald,
Hij onderzocht of 't wel in ernst op 't kerkhof spookte
En de oude heks van 't dorp daar kinderbeendren kookte.