XXI.
Ja, jolig als de Gids, toen hij een jong student was,
Een schrikbre Groenenplaag, een duchtig malle vent was!
Een fatje in 't aadlijk blauw gedost, en fijn van huid,
Een ‘blauwe Beul’ temet; een geniale Guit!
Een rijzweep in de hand en sporen aan de laarzen,
Verklaarde vijand van veel proza en veel verzen!