Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

VII.

In 't trillend wiegje, o zie, wat sluimeren ze zacht! Hoe vredig aêmt hun borst, en 't vrindlijk mondje lacht. Het schijnt of niets uw rust kan storen, arme weezen! Zelfs niet de jongste Dag. Wat zou ook de onschuld vreezen?

Steeds als een zondvloed plast de regen neer, en vlak Op 't hutje blaast de wind. Staag druipt door 't lekke dak Op 't voorhoofd van de doode een druppel, die blijft hangen In 't oog, en, kille traan, straks neervloeit langs heur wangen. Steeds als de alarmklok slaat de golfslag. 't Stomme lijk Droomt in de stilte van het somber schimmenrijk: 't Is toch, of 't lichaam, waar de geest van is gescheiden, De ziel terugzoekt en den Engel blijft verbeiden; 't Is of de veege mond aan 't oog vraagt: Waar uw glans?... En weêr 't gebroken oog: Waar is uw adem thans!

O weest dan jong en plukt de bloemen, die er bloeien! Vult, vult de bekers, lacht, en laat uw boezem gloeien, Gaêrt mirt en lauwer saam! Weest schoon, weest goed, weest groot... Gelijk als iedre beek toch uitloopt in den schoot Van d' eeuwgen Oceaan, dus loopt al 't menschenleven Met al zijn heerlijkheid - zijn lachjes, die er zweven Op rozenmond; zijn jeugd, die, zorgloos lacht en stoeit; Zijn moedervreugd, zijn kus, die ziel en zin ontgloeit; Zijn hoogtijdagen en zijn geuren en zijn gaven - Uit in de kou des doods, den killen nacht der graven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.