Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

eerste zang.

I.

Mijn oude luim keert weer en 't jonge hart komt boven! Te midden van den strijd van 't denken en gelooven, Van 's levens ernst en zorg en moeiten en verdriet, Verlucht' zich hart en hoofd in 't geestontspannend lied. 'k Heb dikwijls pijn in 't brein en weemoed in het harte - Doch, weet ge, 't vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!

II.

Is 't ook een tijd waarin wij leven! ach, wij hooren Geen geestig liedje schier uit Hollands dichterkoren! En 't lieve Vaderland, het schijnt me al meer en meer Eén godgeleerd dispuut, waar ik mij wende of keer'.... O Muzen mijner Jeugd, o schalken, zorgeloozen! Laat me aan uw hart een wijl van al dien strijd verpoozen!

III.

Nog bloeit mijn lentehof! Moge uit de groene twijgen Nog eens dan als weleer de dartle wildzang stijgen! Als in het leven-zelf, zoo meng zich in mijn dicht De weemoed met de scherts, de schaduw met het licht: Hij, die geen ernst verstaat dan ernst in groote woorden, Hij luister liever niet naar deze maatakkoorden.

IV.

Wil niemand luistren? Goed. Geen mensch kan mij beletten Voor mijn genot een klein verhaaltje op touw te zetten: Een ijdelheid misschien, een dichterdroom, een gril, Waaraan ik denken kan, als ik niet denken wil; Een vorm, waarin mijn hart gansch kunstloos eens mag luchten, Wat me in dit lieve dal soms lachen doet of zuchten!

V.

'k Was nooit een dichter om in lucht en wolk te zweven, 'k Zoek mijn fortuin liefst in de waarheid van het leven. Ik zit graag en vertel in 't hoekje van den haard, Of, 's zomers, in de tent, in onze rozengaard, Ann een intiem Publiek, wat al mijn oogen zagen, Mijn hart hier heeft gevoeld, nù of in vroeger dagen....

VI.

Te Delft.... Gij kent toch Delft? Dit stadje is schoon gelegen, Vlak aan den spoorweg, tot mijn groote vreugde en zegen. Een stadjen oud van Faam! en thans beroemd nog door Haar Akademie en haar Boter. Naar ik hoor, Is de eerste nog maar lang zoo goed niet als de tweede, Maar die is ook volmaakt! 'k Laat de andre liefst met vrede.

VII.

Gelijk als Pisa heeft ook Delft haar scheeven toren, Die, al voor eeuwen her, de ruste placht te storen In 't klooster aan zijn voet, te sombren winternacht, Maar sinds door geen orkaan nog werd ten val gebracht En pal staat, scheef maar pal, en, naar wij vast vertrouwen, In Delft het langer dan wij allen uit zal houën.

VIII.

O grijze steenen Reus! wat zaagt ge al, dat ik garen Gezien had, met u mee, in langvervlogen jaren, Toen, rijk en machtig nog, uw oude prinsestad Den kleenen hofstoet van dien Willem hield bevat, Die pal stond óók als gij te midden van de orkanen, En Neerlands schittrende Eeuw het purpren spoor moest banen!

IX.

Delft praalt thans met zijn graf... en booze tongen fluisteren: Heel Delft is zelf een graf. Gij moet er niet naar luisteren, 't Is laster. 'k Weet veeleer in 't lieve Vaderland Geen stedeken alzoo aandoenlijk-intressant. Zoo gij maar 't oogpunt weet, waaruit gij 't moet bekijken - En dat ik waarheid spreek moog uit mijn dicht u blijken!

X.

Ge ontmoet te Delft alom een heir van donkre tronies, Die u herinren steeds aan Nederlands kolonies, Zijn schatkist... ook zijn kroon? - Gij vindt er 't licht en bruin Zoo rijk genuanceerd als in den schoonsten tuin, En - doet gij de oogen toe - dan kunt ge u haast verbeelden, Dat de oostersche Natuur u toelacht met haar weelden!

XI.

Ja, 't beeld is niet te stout, ons Delfia-Batava Is, in den grond beschouwd, een voorstad slechts van - Java. Men leeft te Delft in de' Oost en, bijna voor de helft, Leeft Indiën ook weer in 't zoet en achtbaar Delft. Ik-zelf ben naar den geest vast daaglijks nu te Padang En dan in de Kadoé en dan weer te Samarang.

XII.

Ook wijd ik dit mijn lied u, vrienden in de verte! Nabij steeds voor mijn oog, niet verre voor mijn harte, Die eens mijn vroolijk huis zag komen en zag gaan - Maar komen met een lach en scheiden met een traan. Zóó is het leven: in de vreugd ligt reeds de rouwe - Doch gij vergeet hem niet, den handdruk onzer trouwe!

XIII.

Wat spreekt men van den Dood, den dood die teedre banden Verscheurt, de trouwe hand ontrukt aan trouwe handen? Ach, 't Leven snijdt veel meer de levensdraden af Der vriendschap, daar ons hart zich blijde aan overgaf! Hebt lief, o rijke jeugd! Het leven zal u scheiden, Straks ligt de Zee, of ook de Wereld, tusschen beiden.

XIV.

Doch wat vervolgen mij gedachten die mij kwellen! Woû ik niet vroolijk zijn en u van Delft vertellen, 't Pikante stadje daar 'k mijn vijfde lustrum sleet, En véél gezien heb, veel van 's levens lief en leed, Genoeg om meer dan één komedie te brodeeren, Of - als ik doe - een lang gedicht te improvizeeren?

XV.

Ik zeì, Delft is geen graf. 'k Zeg nú, voor kenners oogen Is daar geen oord veeleer zóó woelig en bewogen! Toch, zoek geen leven langs de grachten onzer stad, Want ja, die zijn meestal zoo kaal en eenzaam, dat Onlangs, naar men vertelt - de jacht was juist pas open - Een haas, zijn drukten moe, kwam door ons Delft geloopen.

XVI.

Hij is er mooglijk nog. Maar dit nu daargelaten, Het Delftsche leven bruist niet op de Delftsche straten, Des winters is 't er stil, des zomers is 't er stom: Doch daar gaat des te meer in Delftsche zielen om. Hoe kalm daar buiten - 't is onrustig steeds daar binnen, In onze hoofden, onze huizen en gezinnen.

XVII.

Spot niet, o vreemdeling! er is volstrekt geen reden Tot lachen; nergens wordt gestreden en geleden, Als in die kleine stad. Of - lach maar, hoorderes! 't Kan wezen dat gij straks een schoone liefdeles Put uit mijn Delftsch verhaal en dat mijn losse zangen Een traan van sympathie doen glijden langs uw wangen.

XVIII.

Gij vat, het middelpunt van al die teedre zorgen, Hier - achter horretjes - in huis aan huis verborgen, Is steeds - het verre land aan de overzij' der zee. Ach, 't brengt u goud misschien, maar 't rooft ons vreugd en vree! Trots haar trapbruggetjes en vaderlandsche grachten, Is steeds ons stadje vol van oostersche gedachten.

XIX.

De een toch, op Java, heeft zijn vader en zijn moeder, En de ander weer een zoon, een dochter, zuster, broeder; En deze een bruidegom; die zelfs haar trouwen gaê, - Het huislijk leven, op dien voet, lijdt groote schaê; - En elk voor 't minst, een neef - maar dat is niets! wij geven Althans voor éénen Vriend graag vijf-en-veertig neven.

XX.

Zoo is dan onze lucht vol droomen en vol zuchten, Die waaien uit den Oost, die naar het Oosten vluchten, Alleen wat jammer is - ook voor mijn huidig lied - Wat Delft heeft van den Oost, het oostersch dichtvuur niet. De kunstnaars zijn er meest wiskunstnaars, geen poëeten, Tenzij - doch Vrienden, gij hoeft alles niet te weten.

XXI.

Toch, als de toovervonk langs wonderdraad gevlogen, - Snel als de Laster vliedt en 't praatje van den Logen - De tijding brengt in 't land: de Mail, de Mail is aan! Dan hoort men harten vaak als dichterboezems slaan, Want elk, vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven De levensteekenen, de lange, dierbre Brieven!

XXII.

Een spanning volgt op 't sein! voor velen worden de uren Nu dagen; dag en nacht schijnt eindeloos te duren, (Een Delftsche veteraan is aan dien strijd gewend!) En dan - Pandora's doos wordt uitgestrooid in 't end. De Mail, de groote bron van droefheid of verblijding, Brengt dees een Jobsbericht en dien een bruiloftstijding.

XXIII.

Neen, wie geen Maildag zag, die kent geen Delftsche zeden! De kloeke Brievenboô, met vlugge, vaste schreden, Als 't Noodlot kalm en koel, gaat rond van huis tot huis, En brengt er vreugde of rouw, in 't mailpapier inkluis, Dat aan 's mans vingren soms ontgrist wordt door tien handen, Die sidderen van angst of van verlangen branden.

XXIV.

Wat nieuws? A. leest, dat hem een kleinkind werd geboren; B. - dat hij mettertijd iets dergelijks zal hooren! C., dat zijn zoon in de' Oost een vrouw vond naar zijn hart, - De man ziet van nu aan de Toekomst minder zwart! D., die te Delft studeert in onbekende vakken, Vangt, uit Pandora's doos, goud in zijn leege zakken.

XXV.

Een meisje, lang verloofd, doch van haar Lief gescheiden - Die eerst op Java zich een Budget moest bereiden - Ontvangt het zoet bericht dat die zijn hart haar bood, Haar nu zijn hand kan biên, zijn hand.... plus 't daaglijksch brood! Zij zal dus binnen kort gaan trouwen met den handschoen; Zou 'k 't liever zònder toch en saam in 't zelfde Land doen!

XXVI.

Doch hier verwoest de Mail de vreugde van een leven! De weduw heeft een brief, met potlood nog geschreven Door de overdierbre hand van 't aangebeden kind, Op 't ziekbed - maar voltooid door d' onbekenden vrind, Die - aan zijn moeders plaats - trouw tot de laatste stonde, In 't verre, vreemde land gewaakt heeft aan zijn sponde.

XXVII.

't Zwaard ging hier dóór het hart. Dáár dreigend blijft het hangen Aan zijden draad! de brief, met smachtend zielsverlangen Vol angst en zorg verbeid, bleef uit! En menig oog Staart nokkende ter aard en vragend weer omhoog Tot Hem, die 't waarom weet en, na den nacht van 't lijden, De schrikbre onzekerheid nog eenmaal laat doorstrijden

XXVIII.

Gelukkig dat de Hoop, die troost der stervelingen, De schat, die aangroeit bij het wisslen aller dingen, Bleef liggen in uw doos, Pandora! op den boôm.... Zij geeft den lijder vaak de kracht weer in den droom. Doch wel hem, die haar kent als Zuster van 't Gelooven, Die met een vroolijk oog, glimlachend, wijst naar boven.

XXIX.

Maar andren brengt de Mail weer lieflijke geschenken: De vriend beschrijft den vriend zijn droomen, doen en denken; Dees door zijn oostersche famielje wordt belast Met tal kommissieën; een ander weer verrast Door 't zoet bericht dat, binnen kort, van Java's stranden Acht wilde neefje in zijn armen zullen landen.

XXX.

Een ander juicht weer in zijn rijke vadervreugde: Zijn zoon, een knaapje, dat in Holland niet veel deugde, En weinig ophad met de studie van 't Javaansch - Althans Professor zeî, hij maakte 't meer dan Spaansch - Gedraagt zich braaf in de' Oost, als 't puik der ambtenaren, En won reeds lauwren om zijn wilde jongensharen.

XXXI.

't Wordt meer gezien, - 't is om de wijzen te beschamen! - Praktijk en Theorie gaan zeldzaam wel te zamen. 'k Val geen van beiden af, 'k heb eerbied voor de Twee, Doch - zoo ik kiezen moet - ga 'k liefst met de eerste mee. (Misschien, omdat wij steeds dié gave 't meest begeeren - Wilt gij niet dichter zijn? - die wij het meest ontberen!)

XXXII.

Van 't Delftsche mailnieuws, wie nu meer nog wenscht te hooren, Ga naar de societeit en spits' zijn gulzige ooren! Daar krijgt gij al het nieuws om níet, en nog daarbij Een handvol politiek en praatjes toe. Voor mij, Ik luister liever niet, en dat om wijze reden: Doofstom te zijn is 't beste deel, in kleine steden!

XXXIII.

Ook tobde ik lang genoeg met mijn tooneel te stellen, 't Wordt tijd dat ik iets ga vertoonen of vertellen. Wij leerden 't al op school: doet aan een ander niet, Wat gij, o egoïst, niet wilt dat u geschiedt. 'k Gruw van verveling! dús, ik wil niet graag vervelen, Schoon andren op dit punt in mijn idees niet deelen!

XXXIV.

Te Delft dan was het, op een Maildag in November.... Gij weet, ons brengt die Mail de brieven van September, Historisch nieuws, voorwaar! gij kunt er niet op aan: Wat voor twee maanden was is mooglijk lang vergaan. 't Is heden niet meer waar, wal gistren werd geschreven, Wat is dan Oostersch nieuws in dit kortstondig leven?

XXXV.

Doch, om nu eindlijk eens geregeld te beginnen, Wijkt, spoken, uit mijn lied en droeve tusschenzinnen! 't Was Maildag dan te Delft, in Slachtmaand van het jaar... Dat u belieft; dat moet gij vinden met elkaêr; En als gewoonlijk deed, omtrent de middagstonde, Langs zeekre Delftsche buurt, de Brievenboô zijn ronde.

XXXVI.

En voor het raam van zeker huis stond in gedachten, Een zeekre Delftsche Vriend, - gij meent, zijn brief te wachten?. Geenszins. Hij volgde alleen des Briefbestellers gang Met peinzend oog en - zuchtte op eenmaal dreigend lang: ‘Als toch die vent me ooit hier een brief uit de' Oost bestelde, Dan..’ Juist stond daar de vent op stoep en - Goôn! - hij belde!

XXXVII.

‘Één gulden-twintig,’ sprak de dienstbare, trad binnen, Een mailbrief in den tip haars boezlaars. Als van zinnen Keek onze vriend haar aan - en zeî: ‘Dat's niet te recht!’ ‘'t Is toch aan uw adres.’ - ‘Wel zeker! licht gezegd! Zijn daar op aarde dan geen andren die zoo heeten? Ik - 'k heb geen brief van doen! ik wil er niets van weten!’

XXXVIII.

‘Maar, Vader...’ ‘'k Heb in d' Oost geen vrienden en geen zaken; 'k Begeer met niemand ooit in kennis te geraken, Daar in dat Apenland! Ik sluit mijn hart, mijn deur Voor al wat oostersch is, al was 't de Goeverneur! Daar zijn er hier genoeg om zulk een brief verlegen, 'k Sta hun den mijnen af - hij breng hun vreugde en zegen!’

XXXIX.

Het meisje, dat wij juist ‘maar, Vader..’ hoorden zeggen, Gaf nú een wenk om stil den brief maar neer te leggen Op tafel: onze Vriend, niet gansch op zijn gemak, Toog weer naar 't raam en stond, de handen in den zak, En zweeg en zuchtte en blies. Straks eensklaps opgestoven, Vloog hij de deur uit en de trappen langs naar boven.

XL.

Toen stond ons meisjen op; bekeek dien brief wat nader, Eerst zóó, dan zóó, en dacht - aan wien? Wel aan heur Vader! Denkt ooit een meisje aan iemand anders? en toen keek Zij in den spiegel en werd beurtlings rood en bleek; Bedacht zich; leî den brief weer neer, en zuchtte en wachtte, En eindlijk liep zij ook 't vertrek uit in gedachte.

XLI.

Nu is er niemand in die kamer meer, mijn hoorder En hoorderes, als Gij: en dan die Rustverstoorder, Die brief, - en ik alleen: Wat zoudt Gij zeggen nu, Als ik dat mailpapier eens open deed voor U? Maar neen! 'k wil dat geheim voorloopig niet verklappen - 'k Word oud en wijs, en doe geen roekelooze stappen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove