XXXIII.
Ook is 't me een wellust mij nog somtijds op te winden,
Te dwepen bij het stof der lang ontslapen vrinden,
Der beste Bestevaers, avunkels onzer roem;
Mij op te frisschen bij den heldren glans der bloem
Van Hollands glorie, die haar geur spreidt door de blaren
Van 't oud geschiedboek en de jonge dichtersnaren!