XXXI.
Vier lieve diertjes zijn van 't ridderlijke nest:
Eén manlijk oir, drie blonde dochtertjes; de rest
Familie, neef en nicht, gewoon sinds vele jaren
Dees dag hun vreugd aan die der riddertjes te paren.
Straks wordt er braaf gestrooid, gegrabbeld en verrast:
Wij grabblen meê! niet waar? Elk uwer is hier gast,
En schoon gij mooglijk voor die kinderpret zult passen,
Ik hoop u toch met een surprise te verrassen.