LIX.
De keten rammelt nog en vreeslijk luidt de bel,
Een stem bromt in den gang: ‘Is alles hier nog wel?’
Of zoo iets. Dan op eens hoort m' aan de zaaldeur kloppen;
En eensklaps is de grond met krieken, mang'len, moppen,
Bonbons en ulivels bezaaid. De kleine schaar
Vliegt henen van de deur en dringt zich bij elkaêr;
En staat verlegen op de vingertjes te knabbelen,
En durft in d' eersten schrik niet opzien en niet grabbelen.