XXXVI.
Hoort gij de schelpen niet al kraken voor het Buiten?
Hoort gij daar ginder nog geen venster opensluiten?
En merkt gij hoe de maan zich met haar vollen lach
Juist eventjes verschuilt? niet uit een kuisch ontzag
Of uit diskretie, neen! om strakjes, zonder schroomen,
Om bij de ontknooping schalk en spottend weer te komen.