XIX.
De een toch, op Java, heeft zijn vader en zijn moeder,
En de ander weer een zoon, een dochter, zuster, broeder;
En deze een bruidegom; die zelfs haar trouwen gaê,
- Het huislijk leven, op dien voet, lijdt groote schaê; -
En elk voor 't minst, een neef - maar dat is niets! wij geven
Althans voor éénen Vriend graag vijf-en-veertig neven.