XVIII.
De geest dan van den brief mijns jonkers was poëtisch,
En meer dan 't lied, dat ik u debiteer, pathetisch.
't Was aaklig, schreef hij, voor een jong en minnend paar,
Altijd omringd te zijn van heel een Argus-schaar,
En immer, waar men school in 't liefst en donkerst laantje,
Een blik te duchten - 's nachts had men alleen het maantje.