XLIV.
Maar, 'k zweer u, 't lieve kind was wel die moeite waard,
Ook hadt gij haar niet lang en strafloos aangestaard:
Was de oude gek - een Draak, zij wekte in 't minnend harte
Een ridderlijke drift, die alle draken tartte!
Maar zoo de Hugo's en Tancredo's van weleer
Een draak, een burg, een land bevochten voor hun eer
En voor een blauwe sjerp... gij mocht een kaartje spelen
En met een monster van verveling u vervelen!