XXVIII.
Hij vroeg nooit: Is die mensch knap, eerlijk, braaf, geleerd?
Maar, heeft hij iets? of wel: Is hij gedekoreerd?
Hij-zelf, hij droeg een star, zelfs als hij ziek en thuis was,
Ook op zijn chambre-cloak, zijn over- en zijn huisjas.
De man was op dat punt waarachtig monomaan,
Alleen met ridders kon hij goed uit wandlen gaan.
't Is vreemd - maar als gij 't heer wilt in zijn glorie kennen,
Moet gij van lieverleê aan duizend dwaasheên wennen.