CVI.
O zie dat rijk tooneel! Het teêrverliefde kind
Vliegt aan haar vaders voet in de armen van haar vrind;
De blonde kinderschaar staat lachende verlegen,
Om 't jonge paartje heen als Engeltjes van zegen;
De moeder juicht, nu zij een lang verboden waar
In huis gesmokkeld heeft en zonder 't minst gevaar;
De minnaar, in 't gewaad van Sint-Niklaas verscholen,
Had immers door 't kadeau des vaders hart gestolen?