LXII.
Hebt gij op Sint-Niklaas, gij, hooggestropte vriend
En hoorder, ooit een gard gekregen of verdiend?
'k Vraag dit alleen om u een kompliment te maken:
Men zag de knapste liên toch meest als dwaze snaken
In 't lieve leven debuteeren; ja 't verstand
Is vaak de rijpe vrucht van de allerwildste plant.
En ‘o zoo'n achtbaar man, zoo'n knap, lief mensch, zoo'n engel.’
Is meestal opgebloeid uit.... ‘o zoo'n barren bengel!’