I.
Ach, zou dat zonde zijn, als ik mijn blijde handen Des avonds reik naar God en dankend uitroep: ‘Heer, Ik ben gehecht aan de aard, met meer dan aardsche banden Van wereldlust, of goud of eer. Ja, 'k heb deze aarde lief; ik ben gehecht aan 't leven, Met tooversnoeren, als door engelen geweven; Mijn boezem jaagt van levenslust, Nu, luider dan weleer bij 't ruischen, vieren, blaken, Van onbezonnen scherts en wufte zinvermaken, En vreugde zonder rouw of rust’.
Mijn wilde jonkheid heeft gespeeld met haar talenten, Als 't onnadenkend kind met nutloos speelgoed speelt; De gave, die 'k ontving, wierp vruchten af noch renten, Al heeft mijn lied te-met een vriendlijk oor gestreeld.
Ik heb mijn jeugd verdroomd, verbeuzeld en verzongen; Het vuur der fantazie, mijn adren ingedrongen, Heeft de onschuld mijner ziel verpest; Een droom van zinlijkheid ontrustte mijn gedachten, Voor hersenschim op schim verspilde ik de eêlste krachten - En daar is wroeging, die mij rest.
't Was zwerven zonder doel, en zoeken zonder vinden, Genieten zonder smaak, en sluimren zonder rust; Daar was geen heilge band, die mij aan de aard mocht binden, 't Was leven zonder last en leven zonder lust! Een wreede nachtwaak soms vol wreevle fantaziën, Doorworsteld in den arm van twijflaars en geniën, Stak op mijn wang een koortsgloed aan; En 's morgens afgemat, vol onbestemde smarte, Zocht ik een troost, een God, een leven voor mijn harte - En alles riep: ‘Vergaan, vergaan!’
o Heer, ik heb als knaap gestreden en geleden, Gelijk een grijzaard, die naar 't donker graf zich bukt, En vruchteloos een ster, een staf zoekt voor zijn schreden, Die kroost noch kruis in de armen drukt. Maar vluchtig was mijn ernst en duurzaam was mijn zonde, Vergifte scherts vloeide als een balsem in de wonde Van 't brekend en ontwaakt gemoed!.... Waartoe mij langer met Gods raadslen te vermoeien? Laat mij de purpren druif in 't tintlend schenkglas gloeien.... Gelukkig hij, wien de aard voldoet!....
Helaas, ik meende 't nooit! 't was nutloos zelfmisleiden; Neen, 't was somtijds een zucht, een diepe wanhoopsklacht; O wereld, waar uw stem, uw vreugde, uw eer mij vleiden, 'k Heb nooit van u mijn heil gewacht; 'k Heb nooit mijn slingrend hart geheel aan u verloren, 'k Heb menig uur gevloekt, dat ik u toe moest hooren: Gij, dwaze, waart mijn afgod nooit! Maar ook, mij bleef geen God, geen Hemel mij, daarboven: Mijn hoop was met mijn ernst als ijdele asch verstoven, Die op den storm wordt uitgestrooid!
'k Begreep het raadsel niet van 's menschen lotbestemming; Het leven was me een droom, en de aarde een droomgezicht; Ik wandelde in een wolk van angst en zielsbeklemming, 't Was duister in mijn ziel, bij 's levens morgenlicht. Ik vlood mij-zelf; ik vlood de wroeging der gedachten.... Maar toch, in de onrust soms der halfdoorwaakte nachten, Is 't voor mijn brandend oog geweest, Als stond een engel daar, wier teedre stem ik kende, Die sprak, als zij haar oog, vol tranen, tot mij wendde: ‘Welzalig de armen naar den geest....’
Cookies on Poetry Cove