XCVIII.
Toen een der kindren op zijn vingers was getikt,
Die - heilge onnoozelheid! - aan 't kruisje had gelikt:
Toen Sint-Niklaas op nieuw zijn recht had laten gelden,
Om 't kommandeurskruis vast bij 't ridderlint te spelden
Op 's mans doorluchte borst; toen hij een groot kwartier
Zich zelf bewonderd had met kinderlijk pleizier:
Toen sprak hij nog eens tot zijn vrouw: ‘'k Word ongeduldig -
Mijn schat! Gij zijt mij nu een explikatie schuldig.’