LXX.
De Bisschop strooit in 't rond, en 't jonge volk vergeet
Zijn laatsten schroom, en schreeuwt en grabbelt zich in 't zweet.
Kijk, hoe ze rollen, hoe ze grijpen, gluipen, sluipen
En allen te gelijk naar 't beste hoekje kruipen,
Met welk een woede, welk een ijver, welk een vuur....
Ziedaar de maatschappij in mooi miniatuur,
Waar ze ook - gij weet het wel - niet minder grabblen kunnen,
En, juist als hier, elkaêr geen mop, geen kriek soms gunnen.