XXXIX.
Hij loert, hij gromt, hij draait en treedt op 't meisje toe,
Bekijkt met grammen blik - Wat is dat? ‘God and you?’
- Het was de inscriptie van de bracelet, van binnen -
Wat, ‘God and you?’ - wat, zou die schelm jou nog beminnen?
Hij-jou-die-mij-wien-ik! ('s mans neus wordt purperrood),
Wien ik (hij blaast) mijn huis, (hij vloekt) mijn ooren sloot!
Die adder, die mijn eer, de mijne heeft geschonden!
Beken maar, 't is van hem! en - 't moet teruggezonden.