XII.
't Ging hem als mij, zijn land groeide aan, met de oogenblikken,
't Was alles tandgekners en afgebroken snikken.
Hij zag in 't donker, in de diepte van het woud,
Al Gouvernantes, mooi en leelijk, jong en oud.
En 't had mij niemendal verwonderd, als zijn haren,
Des andren daags vergrijsd of uitgevallen waren.