XLVII.
Een week lang hield mijn vriend zijn leven reedlijk uit,
Kwam zevenmaal en had het zevenmaal verbruid.
Mevrouw maakte alles goed, het lieve kind souffreerde,
En hij, schoon de oude Draak hem ‘gloeiend embêteerde,’
Hield zich weêr veertien daag vol zelfverloochning goed
En plooide zijn verstand, zijn trekken, zijn gemoed;
Toch ging de ridder voort hem steeds te chicaneeren,
En bromde: 'k Zal dat heertje in 't eind wel mores leeren!