XVII.
Spot niet, o vreemdeling! er is volstrekt geen reden
Tot lachen; nergens wordt gestreden en geleden,
Als in die kleine stad. Of - lach maar, hoorderes!
't Kan wezen dat gij straks een schoone liefdeles
Put uit mijn Delftsch verhaal en dat mijn losse zangen
Een traan van sympathie doen glijden langs uw wangen.