X.
Rein is de blauwe lucht, maar reiner zijn haar oogen,
En blauw als 't blauwe gaas, door iedren tocht bewogen,
Dat om haar leden golft, zoo schoon bij 't lokkig haar,
Blond als in d' ochtendgloed de gouden korenaar; -
Zoo niet haar schalke lach u moed gaf en vertrouwen,
Zoudt ge op een afstand slechts het wagen haar te aanschouwen!