Cupido tot de jeught.
Als 't goudt van u blondt hayr gekrolt, ghevlecht, gespreyt,
In grijsheyt gantsch verkeert, en als de gladdicheyt
Vws voorhoofts teenemael de rimpelen beswaren,
Niet anders als berou van u verloopen jaren?
Als ghy u vindt alleen, en dat ghy van een hooft,
En troost van uwe helft u selven hebt berooft,
En kind'ren d'oudtheyts stock om vastlick op te hopen.
De jonckheydt en de tijdt, die eenmael is verlopen,
Niet weder men vercrijght, door my zo bloeyt u jeught
O dochters in haer eer, en sonder liefdes deught
V schoonheyt niet meer baet dan een schat opghesloten
Van eenen woeckenaer, of so veel als een groten
En schoonen diamant verborghen onder d'aerd'.
Een vrouwe sonder liefd' is seecker niet veel waert: