Cupido tot de Ieught.
En helpt hem niemant op, of stilt hem in zijn klaghen:
Een bandt alleen en kan niet zo veel lasts verdraghen,
Als een de welck van twee ghevlochten is in een:
Gheen eer de jongheliens zijn schuldich aen de gheen'
Die met geen kindren lief de werelt gaen vermeeren,
Die hem in d'ouderdom weer zouden moghen eeren.
En wat zijt ghy, O vrouw', die blyvend' oock alleen,
Vyt u ghedachten sluyt mijn wetten al ghemeen,
Veel droever als een man, leydt ghy een eenigh leven,
Wat zal ten lesten noch het weygheren u gheven?
Als van u fieren moet de tijdt de vleughels kort,
En dat de roosen root, en lelien verdort
Van uwe kaken zijn, als het korael der lippen
In bleeckicheyt vergaen, u treurigh sal ontslippen,