Derde afdeeling.
troosthart. Gewaarschouwd Vaderland! uw Heerlijkheden kwijnen! De veldzon weigert schier haar gunstig te overschijnen. De treurzang van een' vriend raakt u - en treft mijn ziel. Hij schreit - ik ween met hem, die hier in onmagt viel.
Herstel u Traanrijk! kom! beproef nog eens uw snaaren. Uwe Eerbied lieft en looft den God der Legerschaaren, Zoo word na de onweêrsvlaag door needrig Beurtgedicht, Een Denk-en Dankpilaar voor 't Nakroost opgericht. Gods hand zal balzem op de diepe wonden strijken. De God van Micha kent zijn volk in schaamle wijken, De Christen is een held bij 't storten zijner beê. traanrijk. Wel aan! mijne aandacht zeilt naar de opgeruide zee. Schipbreukeling! gij kunt den stoutsten geest ontrusten. De zeeman wanhoopt gindsch voor 't oog der spitsche kusten: Hier ziet men een Fregat met man en muis vergaan, Daar 't Kofschip op een bank aan duizend stukken slaan. Gindsch word de Driemast door het zwalpend zout verslonden. Hier weêr een Hoeker naar den afgrond weggezonden. Daar dwarrelt een Galjoot, beroofd van roer en mast, Gindsch kraakt een Barkentijn door 't onweêr aangetast. Hier dobbren treil en zeil bij 't barsten van de balken. De Schipper ziet een zee, die kaaken op blijft spalken. Daar slaan matroozen neêr - de stuurliên buiten boord! Gindsch bromt de noodschoot - en de wanhoop word gehoort.
Hier staat men mast aan mast met allen man te kappen. Daar scheurt de wind het zeil, gelijk verteerde lappen Gindsch rukt de scherpe golf het ankertouw van een. Hier gaat ze als of ze vliegt, met all' de kabels heen. Daar valt men in den boot, en wenscht naar land te zakken. Gindsch sterst de bleeke hand aan rondgedraaide wrakken, 't Geraas van wind en zee verdooft het Hulpgeroep. De doodskleur is gezet op dien benaauwden troep. Hier drijft de Ellendeling op doodelijke golven. Daar word zijn reisgenoot in 't smoorend diep bedolven. Gindsch vloeit de laatste traan, die de afgesloofde drinkt, Tot dat zoo wrak als mensch ter put geslingerd - zinkt. Hier blijst men op de Jol, of boot, en bijstand hoopen. Men klautert vruchteloos, naar bakboords zij gekroopen, Of zwaait van bakboordskant, en grijpt den Fokkemast, Of sjort aan stuurboords zij zich met de touwen vast. De kustbewooner wil; maar kan geen hulp verleenen, Daar komt een Lóóts - hij hoort, ja ziet de menschen weenen. Hij waagt een' gang - helaas.. hij wend weêr van hun af! Daar 't handuitsteekend volk reeds worstelt met zijn graf! De hooge zee belet om dieper in te dringen... Hij wend, al wil hij niet... zie nu dat handenwringen!..
Daar drijft de losser weg ... hij schreit, terwijl hij wijkt! En 't hoopöntbeerend volk door koude en zee bezwijkt... De woênde branding schuimt, dat hooge duinen dreunen. De storm wil aan 't gehuil der zielen zich niet kreunen. Nu splijt de buik van 't Schip - de kiel word doorgesneên... 't Aêmegtig volk verzinkt in zee en eeuwigheên ... Een menschen lichaam komt aan gindschen oever drijven, Met wolbaal, kist, en wijn, citroenen en olijven. Wat rijkdom zakt in zee - of spoelt op 't schuddend strand; Hoe word de Rederij in kragten aangerand! Wie kan het nokgeschrei der droeve Weduw hooren? Geen onheil is voor haar ooit wigtiger gebooren, Dan dat zij haaren Helft, - haar' teêrbeminden man Nooit wederziet - noch zelfs zijn stof begraaven kan. Een ander kuscht het lijk, ontzield haar toegezonden. De tong, verstomd door 't wee, blijftin den mond gebonden. Vergeefs breektze eindlijk los - ‘Och of hij leeven had!’ Zij werpt zich op haar vleesch - door zugten afgemat. Daar loost de Moeder met haar zuigling duizend gillen. Hier is de wanhoop van eene andre niet te stillen. Heur weesjes roepen! och! komt vaderlief nooit weer?... Ze is roereloos door smart... Zij zijgt in flaauwte neêr...
Elk moet dat wondend woord - die doodsche tijding hooren, Uw Man, bedrukte vrouw, moest in de golven smooren!... De onnoosle kindertjes vermurwen 't stugst gemoed. Geen slagtmaanddag bragt hier ooit wranger' tegenspoed. De ontroerde Vader troost een half ontzinde Moeder. De moede Zuster schraagt een' schier ontzielden Broeder: Die schreeuwt mijn Zoon! mijn kind! die hikt...mijn Broeder! Ach! 's Lands Echo golft op zee met nagebaauwd geklag. Gindsch ligt een Moeder bleek, van blijschap neêrgezegen, Dat zij uit honderden haar' kind heeft weêrgekreegen. Zie! hoe aan 's broeders hals die zuster kleeft en hangt, Nu ze uit het golvend graf hem leevend 't huis ontvangt. Zie hier een vrouw' haar man op teedre borsten drukken. Ze omhelst hem... wie kan haar van zijnen hals afrukken? Ze omhelst hem... Ja! hij leeft... zij kuscht haar tweede ziel, Die blij; schoon stom van vreugd, op haaren boezem viel. Is vader, na die schok, weêr tot zich zelf gekoomen, Dra worden vrouw en kroost in ieder' arm genoomen, Het kindermondje kuscht zijn' Vader wellekom! Men dankt des Hemels gunst in 't wagtend heiligdom; Maar de andren kunnen nooit hun duldloos lot vergeeten. Het pooplend hart doet niet dan brakke traanen zweeten.
De zugt-tent waggelt staag met vloer en balk en steen, En luistert naar 't geluid van weeuw-en weesgeween. Geen Euroklijdon kon de golven hooger jaagen, Noch 't Adriätisch vocht op norscher vlerken draagen, En 't Alexandrisch schip met volk en angst gelaên, Ooit bij Melites kust zoo schriklijk doen vergaan; Dan deeze Noodstorm, die de baaren om bleef roeren, En menschen, vee en goed ter kolken in wou voeren. Een rijkgelaaden vloot op 't oogenblik vernield, Der schepelingen heir in 't vreeslijk uur ontzield, 't Verdronken kostlijk vee, verzwolgen schaapenkudden Doen vrouw, en kind, en vriend, en Koop- en Landman schudden. Geduchte geesselslag voor 't kwijnend Vaderland! Daar 't dubbel Element ter neêrlaag zaamen spant. De Winter noodzaakt ligt de noodklok weêr te luiden, Zoo de Almagt optogt blaast met stormen uit het zuiden, Of 't Noorden opöntbied - of 't Westen wakker maakt, Of snerpende Oos tervorst dit drijvend land genaakt. De dijken zijn gefnuikt - de watervastigheden, Door 't heevig windgeweld, en 't kragtverzwakkend kneeden Der golven, lam gebeukt, of grondloos weggezakt. 't Ziet donker van rondom! 't Land is in 't hart geknakt.
De barre Wintermaand is elken dag op handen. De koude Louwmaand doet straks de armoê klappertanden, Die uitgehongerd schreeuwt - op maagre bonken bijt, En beevend naadren ziet den schraalen sprokkeltijd. Hoe meenig plaats heeft grond om 't grootst gebrek te duchten! De voorboô brengt ons reeds de inëengevlochten zugten Der dorpelingen, die beroofd van goed en graan, De handen, gansch ontleêgd, ten donkren hemel slaan. Mij dunkt: ik zie nu reeds de kinderöogjes weenen; De voedster moet, ondanks haar zorg, het wichtje speenen. De ranke zuigeling, door moederzog gevoed, Zoekt zuigend naar de melk; maar trekt den mond vol bloed. De koude en honger slaan de bleeke huisgenooten. De klagten worden hier als stroomen uitgegooten, Wijl 't uitgemergeld volk, als zwart van magerheid, De traanen gretig drinkt, die 't in ellenden schreit. 't Beschimmeld brokje brood - een stukje vleesch, vol maaden, Zijn happig ingeslokt - de maag, niet half gelaaden, Gaapt onöphoudenlijk, en waggelt van gebrek. De tanden knaauwen op de zwoorden van het spek; Wijl scherpe nagels gindsch in eenen mestberg wroeten, Op hoop, de honger mogt daar nog één' bonk ontmoeten.
Ach! Troosthart!... troosthart. Boezemvriend! de Vrijë God regeert. Zijn hand heeft, meer dan eens, de slagen afgekeert; Maar tans, ô Ja! deed hij door 't Landbezoekend woelen Van storm en stroom, den slag ons zondig volk gevoelen. Gij hebt mijn ziel geraakt door kermend dagverhaal. Mijn hart roept biddend uit: Daal hooge Bondgod! daal! Daal met uw' geest in 't hart! en heilig uwe slagen Aan ons, aan al het volk! Laat uwe Heilzon daagen! Mijn Traanrijk, deeze ramp zij bij al 't nageslacht, Zoo wel, als nu bij ons, eerbiedig ingedagt! Hoe vol van Majesteit spreekt God, door zijn vermoogen, De stervelingen aan uit 's hemels bruine boogen! Wie is dien God gelijk, die Wind en Zee gebied, En 't slingrend blikzemvuur langs land en kusten schiet? Zijn Zeevoogdijschap moet op onze harten weegen; Één Godlijk stormbevél maakt stad en dorp verlegen. Zijn Tuchtroê zij gekuscht! wie is dien God gelijk? De Aardschgoedheid schonk ons nog een vriendlijk Liefdeblijk. Haar Meededoogen bleek in't schriklijkste aller uuren. Had God zijn' stormtoon toen nog langer laaten duuren,
En paal noch perk gezet aan 't loopend stroomgeweld, Ons Palestina was ter waterkom gesteld; Maar zijne ontferming heeft dit fel tempeest bedwongen. Een dubbel Loslied zij Hem needrig toegezongen! Vooräl van ons, die meer dan anderen vervaard, Toch boven duizenden genadig zijn gespaard. Delfshaven! merk nu hier de duidelijkste blijken Van goedheid: mogt ge u tans met andren vergelijken! Herdenk - wat Traanrijks taal in vloedbeschouwing zong; Speur dubble dankstof op voor huis, en hart, en tong. Hebt ge in uw huizen - goed - bezittingen geleeden? Hoe klein is uw verlies bij andrer tegenheden. Wat hing u boven 't hoofd! nog zijt gij die ge zijt. Nog vindt ge uw winterbrood in slagtmaand op zijn' tijd. Gij stookt u warm, en moogt u nog met dekzel kleeden. Och! waaren hart en tong vervuld met dankgebeden! Druk dien Gedenkdag, - prent dien Treurnacht diep in't hart! Vergeet die nooit - geloof - wie de Almagt langer tart, Wie spoorloos loopt, ja holt op 't pad van snoode zonden, Die heeft eerlang in God - een' God der wraak gevonden. Breek door geregtigheid uw zwaare misdaên af! De misdaên dringen hem ter lang verdiende straf.
Bekeer u tot dien God in 't vliegen uwer dagen! Den Hemel kunt ge alleen in 't bloed des Lams behaagen. ô Zondaars in ons Land beproeft uw' dierbren tijd! 't Is een genade dag, die, snellende, u ontglijd. De Noächs wenken u, daar ze aan de Godsärk werken. De kostelijke dag roept u om op te merken. Gods oordeel - zegen - wet - en Euängeliewoord, Zijn stemmen, die ge als nog van 's Hoogsten heiltroon hoort. Die de eerste waereld sloeg met aarde- en hemelplassen, Kan, in den zondenloop, u door den dood verrassen. Waakt op gerusten! hoort! eer ge op uw' weg vergaat! 't Is heden Reddingtijd, en binnen kort te laat. Gij, steunzels van ons heil - ô Zout van Neêrlands aarde! Ziet! hoe uw God- en wolk- en wind- en water paarde. Uw Bondgod slaat en heelt - hij kent en perkt uw leed. Hij zorgt - hij schraagt - hij red - hij denkt aan zijnen eed. Gij, duurgekogten, moet voor 's Hoogsten Tuchtweg beeven; Maar ook uw zwaarigheên in 's vaders handen geeven, Toont redelijk ontzag voor zijne Moogenheid. Leeft heilig onder 't oog der Oppermajesteit. Mijn Traanrijk! 't waar geluk van echte bondelingen Blijft onbeweegelijk in zwaarste folteringen;
Schoon hemel-aarde- en zee verzinken en vergaan; Toch blijft het vroom getal in 't boek des leevens staan. Al hoort men overäl den zwarten Hemel dondren - Al braakt die louter vuur - al brult de hel van ondren - Al sterft de waereld uit - daar 't aangetast Heeläl Gedreigt word of gedrukt met zijn' geheelen val - Al hoort het kraakend rond de loeistem aller winden - Al kan geen vogeltje een nestje of takje vinden - Al klimt voor al wat leeft de jongste morgenstond - Toch blijft Apelles God- de God van 't zoutverbond. Welaan mijn vriênd! schep moed! zie 't eeuwig meededoogen! In stormen is uw God met hulp vooruit getoogen. Een louterende weg geeft Hemelzoetigheid, En ademt overäl den geur van Majesteit. Wij zingen zoet verëend - wat ons mooge overkoomen - Een zeelied bij 't geschok der wemelende stroomen, Tot eens ons zee-gezang-de tijd is mooglijk kort - In eenen zegezang volmaakt verändert word. traanrijk. Wij beeven voor dien God, die alles heeft geschaapen. Die winden wakker klopt - en wederom doet slaapen. Die wolk en golf regeert - en rust na ramp bereid. We aanbidden Hem, die leeft, in zijn voorzienigheid.
troosthart. Zijn gunst is ons genoeg - zijn wijsheid schikt de tijden. Zijn liefde zal, na leed, het zoekend hart verblijden. Wij tarten, in zijn kragt, den zaamgepakten nood. De Losser helpt ons zelfs bij 't naadren van den dood. Almoogende! uwe weg blinkt van Gerechtigheden. Uw onbetwistbaar Doen worde eindloos aangebeeden! Och! wierd uit deezen storm gerechtigheid geleert! Een zondig menschenheir tot uwen dienst bekeert! Mogt al uw volk getroost op uw belosten steunen, En hoe gefolterd - blij op uw verbondstrouw leunen! Geen storm - geen Landörkaan - geen hoogstgeklommen vloed Berooven ooit dit volk van 't Eeuwig blijvend Goed. Het dobbrend scheepje word door U bewaart voor't stranden, 't Zal op - en - neêrgewiegd aan Edens Rustreê landen. ô Zaalge Rust! waar nooit een plettrend onweêr broeit. ô Hemelrust! waar nooit een Euroklijdon loeit. ô Hemelvaderland! Wij zullen u bezeilen. De Beste Lóótsman zal voor ons de gronden peilen. Steun lieve Traanrijk! steun op 't hulpbeloovend woord! Na onzen zeetogt word het Hemellied gehoort.
Wij stappen straks aan land - daar zwijgen all' de vlaagen. ô Hemelrust! traanrijk. 'k Herleef - en zie het Troonlicht daagen. ô Hemelrust! wij gaan de diepste golven door. troosthart. ô Ja! in God gesterkt. - Hef 't slotlied aan! traanrijk. Ga voor!
Cookies on Poetry Cove