Skip to content
1788

Zanglievende uitspanningen

Olivier Porjeere

Eerste afdeeling.

zieveel. Mijn Merkhart, ik verneem, hoe vrienden vrolijk treeden. Elk zoekt dien hij bemint: Wat al vermaaklijkheden Verschaft het vriessaizoen den kouden wandelaar! 'k Zie u ook hier, mijn vriend, in dit denkwaardig Jaar. Gelijk zoekt toch gelijk: Wij, eens in trant van denken, Gaan zaamen: Laat ik u mijn' arm ten steunzel schenken; 't Is glad op 't ijs. merkhart. Ja wel - en wijl ik ligtlijk glij, Zoo bond ik spooren aan - vertrouw uw' arm aan mij, Te meer - ik merk gij hebt uw spooren 't huis gelaaten: 'Er past voorzigtigheid op zorgelijke straaten; Men glipt zoo ras. zieveel. 't Is waar: ik heb niet wel gedaan; Maar zal omzigtig zijn op glibberiger baan.

merkhart. Laat nooit uw spooren 't huis - denk telkens aan uw treeden. Wien vastigheid ontbreekt is spoedig uitgegleeden. Daar is mijn arm. Houd vast, het ijs geeft hier de wet. zieveel. Welaan! ik steun op u. merkhart. Denk echter aan uw' tred. Gij moet hier onbeschroomd; maar ook oplettend weezen. zieveel. Ja! leerde ik overäl voor gladde plaatzen vreezen! En - om de waarheid maar eenvouwig toe te staan, Ik meende, eer ik u zag, bij 't min oplettend gaan, Reeds neêr te tuimelen... merkhart. Mijn vriend, ons hart moet letten Op hooger zaak - vooräl, wen we onzen voet ooit zetten Op wegen, min gewoon. zieveel. Ja Merkhart, 't is mij goed, Dat ik een' vriend en hulp in u hier heb ontmoet.

'k Moet met bedagtzaamheid op 't glad der waereld wandlen. merkhart. Leer uit mijne ijsles dan voortaan omzigtig handlen. zieveel. Dit wensch ik; maar wat heeft u op dit ijs gebragt? merkhart. Daar word een zoort, als wij, veeläl het minst verwagt; Dan: wie betwist ons 't recht op de algemeene wegen? Ik voelde mij nu weêr tot wandelen genegen. Gij weet, hoe 'k meer dan eens op 't Ooster hoofdje sta, Of zit op 't bruine bankje en 't golfje gadesla, Dat spartlend golfje van de Koningin der stroomen. 'k Heb 's morgens mijnen weg door Schoonerloo genoomen, Met oogmerk om naar huis langs deezen plas te gaan. Tans tref ik u - gij treft mij ook van pas hier aan. 'k Zie zomers met vermaak de woelge baartjes rollen, Nu doet de winter die tot wandelpaden stollen; Dit ijsveld heeft hen door een' fellen vorst bedekt. Den Maasrug, die ten pad voor duizend voeten strekt, Wilde ik, in dit saizoen, voor 't eerst van al mijn leeven, Misschien ook wel voor 't laatst, een kort bezoekje geeven.

Met doel, om onder 't werk der slingerende liên, Te letten op het geen de minste menschen zien, En wandlende op de Maas tot nut nog iets te leeren. zieveel. Zoo wil ik wandlende ook op 't draagend ijs verkeeren. Nooit kreeg ik beter' vriend. merkhart. Kom! gaan wij dan geärmd, Terwijl de middagzon ons meer of min verwarmt. zieveel. Wat is 't hier vreeslijk vol! - de stad schijnt uitgeloopen! Ai kijk! een koussenkraam!.. Wat zie ik hier verkoopen? Zie daar galanterij als in een' winkel staan. Gindsch hoort men Broedertjes bij potten vol beslaan. Men kruipt met hóóp bij hóóp in wonderlijke tenten. Elk raast naar Broedertjes vol eiren zonder krenten. Zie! hoe men troepsche wijs voor 't snerpend panhuis staat, En van dit bruin gebak om strijd aan 't smullen gaat. Hier zakt het volk op een en hompelt door malkander. Die praat met buurman drok - die kalt weêr met een' ander, De Broedertjes zijn klein, zegt een, die ze eetend nijpt, 't Komt dat de bakkerin die onbedenklijk knijpt.

Ik moet het volle geld 'er echter voor betaalen; Ja; maar men moet 'er ook een winterwinst uit haalen. Dus rammelt deeze knaap - zijn schaatzenmakker eet. De Bakman slooft zich af - en veegt zijn pofferzweet. 'k Zie de oude mannen, zelfs die slappe rimpels draagen, Ook eene wandeling naar deeze kraamen waagen. Al wat schier beenen heeft komt overäl van daan, En bied zijn dubbeltje den warmen bakker aan; De Reden schijnt - dat elk, hoe fel door kou gebeeten, Dus altoos zeggen kan. - ‘'k Heb Broedertjes gegeeten, Gegeeten op den rug der toegevroozen Maas!’... Wat maakt die kraamtroep hier een schroomelijk geraas. Hoe grimmelt het van volk! van jongen, en van ouden, Van vrijër, vrijster, vrij, en dienstbaar, en getrouwden, 't Kriöelt van groot en klein, zoo wel van arm als rijk, Men holt als wild door een - en acht zich hier gelijk. De Kleinzoon geeft de hand aan zijnen Grootevader, En Neefje komt met Oom de lekkre bakplaats nader. Zij koopen Broedertjes - de Jongen schurkt en eet. Een stuk, waar van de Neef nog lang te praaten weet. ‘Eet! roept men, Jongen eet! met all' uwe ijsgezellen; Dit kunt ge uw kindren - ja kindskindren eens vertellen.’

De bakker klauwt den kop - de herssens loopen om. Hoe knorrend plaagt hem hier een onvernoegde drom, Die voor zijn geld niet kan naar wensch geholpen worden; Ofschoon de pannen forsch en onöphoudend snorden. Men staat nu al te lang te wagten naar zijn' zin, Des loopt gramstoorigheid eene andre Maaskraam in, Of schreeuwt, terwijl men zich booshoofdig om gaat keeren, ‘Mijn stuiver is zoo goed, als 't geld van deeze Heeren! 'k Wil Broedertjes! bak voort! geef op! daar is uw geld! Ik heb al lang vóór dien een bakzel u besteld.’ Het bakkeröor word lam van 't knorren en de klagten. Hij roept! ‘mijn Heer! 'k verzoek een weinigje te wagten: Dat pannetje is besteld - dit word voor u gevuld. 'k Geef ieder zijne beurt - ik bid u, heb geduld!’ De man helpt eindelijk all' zijne Broedervrinden. Men laat nog een dozijn in zijnen neusdoek binden. Elk brengt wat meê voor man, of vrouw, ofkind, ofbaas. ‘Eet, roept men, Broedertjes! gebakken op de Maas.’ Gindsch staat een menschenheir elkander plat te dringen. De Rottestad loopt leêg - 't krielt ook van vreemdelingen. Men staart op gindsche kraam - hoe gaapt de nuchtre boer, Naar schijngalanterij, geveild op deezen vloer!

Onze oogen schemeren bij 't klinken onzer ooren. Die koopt een blakertje met al zijn toebehooren, Of fraai verlakte doos - en geurgen Neustabak, Een Tweede een schaar of mes, en steekt die in zijn' zak; Een Derde vraagt op 't ijs naar koussen, winterwanten, Polsmofjes - wat niet al! - Die loopt te lanterfanten. Men drentelt heen- en weêr, als in den kermistijd. Bij deeze koopmanschap raakt elk zijn duiten kwijt. merkhart. Gij kunt dit IJsgewoel vrij geestrijk mij verhaalen. Laat ons - schoon 'tgros niet denkt - onze aandacht recht bepaalen. Nieuwsgierigheid lokt ons en duizenden op 't ijs; Maar 't leerend letten staat bij weinigen op prijs. 't Is, in zich zelf beschouwd, niet als iets kwaads te laaken, Zich met een wandeling op 't Maasveld te vermaaken. Er steekt geen misdaad in, een broedertje op de baar Dier Maas gebakken, of een blaker, doos, of schaar, Of ter gedagtenis wat snuisterij te koopen; Maâr... over alles los en windrig heen te loopen, En zonder hart en oog - of vol brooddronkenheên Te lachen, smaakt mij niet, zoo min, als vuile reên,

Of vloektaal langs den rug des breeden vloeds te strooiën, En zulk een laag gedrag nog als fatzoen te plooiën. Wat zijn de meesten los! Wat is het misbruik groot! Wat heerscht de dartelheid in Land-en-Stadgenoot! 'k Ben in geen kraam geweest om dit of dat te koopen. Ik ging voorbij, benaauwd voor woestgezinde hóópen; Doch: zoo ik hier of daar ook iets had uitgezogt, En ter gedagtenis op 't kunstig ijs gekogt; Ik zou 'er voor mij zelf op deeze wijs meê werken; 'k Zou spreeken tot mijn ziel: ‘Gij moet op de Almagt merken; Op de Almagt, die zoo grootsch haar hemelstraalen spreid, En door heur hand de Maas, als tot een markt bereid. Op de Almagt, die voor u en meedewandelaaren, Die golven gangbaar maakt, daar anders kielen vaaren. Op de Almagt, die den stroom, waar in het Vischje speelt, Dien stroom, die zomers 't oor met zagt geklater streelt, En 't dommlend golfje leert bekeiden zoompjes wrijven, Door goddelijk bevél - hoe breed ook - doet verstijven. Op Goedheid, die den mensch in 't klemmendst van 't saizoen, Niet nalaat dag aan dag meêdoogend wel te doen. Op Wijsheid, die hoe streng de koude ons ook moog' drukken, De vrucht van vorst en sneeuw op haaren tijd doet plukken.

Op dat volmaakt bestuur, dat, in den barren tijd, In Louwmaand mensch en vee door zonneschijn verblijd, En ons dit dagje gunt in nijpende oogenblikken, Dat lichaam, geest en ziel door wandling kan verkwikken. Roep dan mijn ziel, daar ge u dus voor den hemel buigt, Dat Alvermoogen uit, daar 't ijspad van getuigt.’ zieveel. Ja, Braave Merkhart, ja, zoo voegt het ons te denken. Och! mogt genade mij een hart, als 't uwe schenken! Ik zie wel veel; maar neem toch alles niet in acht. Uw IJsles heeft mijn' geest bij 's Hemels hand gebragt. merkhart. Kom:laat ons - wars van 't kwaad, dit volks gedrang vermijden, En wandelende ons hart aan 't Alvermoogen wijden. Het smaakt u, dat ge op 't ijs ook zielevoedzel vindt. Ik merk, gij tuurt vrij strak. zieveel. Ja wel, mijn beste vrind. Zie! welk een aantal gindsch van IJs- en Arresleeden! Wat word 'er op- en neêr, en door elkaër gereeden! Die Slee blinkt in de Zon - verguld met gloeiënd goud, Wijl 't bellendraagend ros zich grootsch in 't draaven houd.

Hoor 't rinklend klinken van vergulden - zijvren bellen! Zie! hoe de voerman zich in stijf postuur moet stellen. De Juffer zit geklemd in eenen naauwen bak, En lijd, half naakt van borst, een pijnlijk ongemak. ô Zonderling gezicht! wat raare Landmanieren! Hoe plaagt men zenuwen, en aderen en spieren! Met boezems half bewaard, geen dekzel op de kruin, Giert menig door den wind, getrokken van den ruin. ô Naar vermaak! zich zelf dus ongezond te maaken! Ja 't magtloos wormenhuis meêdoogenloos te kraaken. Gindsch zweeft - zoo 't schijnt - een spook, dat in de renslee zit, En overmaatig zorgt voor ieder lichaamslid, Dat, toegetakeld, draagt een bonte pels der grooten, Met oogen, mond, en neus, en ooren digtgeslooten, Nu traag geschooven - dan weêr schielijk voortgesleept, Wijl 't Rijgenoegen vaak door angst word weggezweept. Daar ziet men pragt met pragt uit schrillen hoogmoed kampen. Gindsch snelt men vogelvlug dat paardenhuiden dampen. Men glijd en rijd door een met schreeuwen en getier. Men waagt zich noodeloos, en plaagt het rennend dier. 't Schijnt, of de menschen ook veränderd zijn in paarden. Ik zag en zie hen, die hun werk om strijd verzwaarden;

Men sleest zijn zuster, broêr, of vrijster, kind, of vrouw, De schuiver zweet zich ziek - 't gezelschap krimt van kou. ô Slaafsche bezigheên! merkhart. 'k Denk onder uw vertellen, Hoe ziet men dagelijksch de pragt bij veelen zwellen. 't Loopt alles schier in 't bont-de pragt vergeet haar' staat: Men denkt zomts dat 'er een van 's Lands voornaamsten gaat. Hoe kleurig, keurig, kiesch, hoogmoedig zijn de kleêren! 'k Groet bij verzinning wel de knechten voor de Heeren. De kleinste burger loopt, mal opgetooid, vol zwier. Mevrouw gaat zediger dan de arme kamenier. Het zeil moet in den top, en kan men niet betaalen, Dat komt 'er niet op aan - men laat op reekning haalen. De Koopman in het bont, in kanten en satijn, Moet wagten naar zijn geld, en nog te vreden zijn. De Kleêrenmaaker heeft een lijst vol rekeningen; Maar hoort den deun, Ik zal, bij 't lastig maanen zingen. Ik zal u dan voldoen: kom dan of dan eens weêr. Hij klopt; doch maant vereefs - men paait hem keer op keer, Het komt mij heden niet; maar dan of dan gelegen, En de arme baas heeft nog geen' koopren duit gekreegen

Bij onbetaalden loon blijft hij vast in verschot, En 't pronkbeminnend hart heeft, van zijn zweet, genot. zieveel. Wat ben ik meenigwerf op deeze wijs bedroogen! De klimmende opschik scheen zoo glinstrende in mijne oogen, Dat ik een buiging diep met eerbied heb gemaakt; Maar, die gegroet werd heeft zijn' hoed naauw aangeraakt. Zomts meende ik daar - daar komt gewis een hóóp Mevrouwen, Ik boog mij; doch men scheen mij naauwelijks te aanschouwen, Terwijl ik, wel bezien, en dieper ingedagt, Mij gansch niet vond gesticht, toen 'k mij te binnen bragt; Hoe zij, die zwierende, de gansche straat vervulden, Tot de ooren zaten in onnoemelijke schulden. 't Gaat heden zonderling in 't zinkend vaderland. Het kleed maakt zelfs den man, die geld heeft noch verstand. merkhart. 'k Erinner mij van pas mijns Grootevaders zeggen. Die vroome man wist mij dit geestig uit te leggen. Hij zeide: kleinzoon hoor, let, in vervolg van tijd Dan raakt men Holland nog in Holland eindlijk kwijt. Mijn kind, ik zal dit niet; maar gij zult het beleeven, Ten minsten, laat ik u nu deeze lessen geeven.

Zwel door den hoogmoed toch nooit boven uwen staat, Die maakt u als een Schip, dat snel ten afgrond gaat. Vergeet den Oorsprong niet van uwe zegeningen. Laat geene ondankbaarheid in uwen boezem dringen. Wees nederig, als God verbeurde weldaên schenkt, Geduldig, wen hy u met bitterheden drenkt. Verban een dwaaze zorg - leer aan de waereld sterven. Laat geen uitheemsche smaak uw goeden smaak bederven. Toon, dat ge uw vaderland met al uw hart bemint, En roem op deezen Naam: Ik ben een Hollandsch kind. zieveel. Die Ouderwetsche raad word tans meestäl vergeeten. merkhart. Daarom word Holland ook door vreemden afgesleeten. zieveel. De Jeugd is nu zoo los, en 't volk zoo raar van smaak. merkhart. Van de Alpen rolt zomts goed - meest loos en boos vermaak. zieveel. De vreemdeling heeft reeds veel harten ingenoomen. merkhart. En nog spoelt vracht bij vracht uit gondels langs de stroomen

Van 't Vaderland, en zwemt de steden hoblend door. Een volk, zoo staatig, geeft der lugtigheid gehoor, En word weldra verzot op zulke buiten-zeden, Die 't godsdienstminnend hart moest met de voeten treeden; Manieren, kapzels, taal, gezelschap, houding, kleed, Zijn los, bij 't wulpsch gedrag, het zij men drinkt of eet; Het laag van Bijbel, God en heilgen Godsdienst spreeken, De zonde als zoet vermaak aan 't weeldrig hart te preêken, 't Geweeten met geweld - of laage spotternij Te dooden - laf vermaak in schriftverzakerij De naadrende Eeuwigheid - den oordeelsdag te ontkennen, Zijn kunsten, die men zoekt, om 't hart aan God te ontwennen. De drift zwelgt onbedagt het doodelijk venijn Uit gouden bekers in, gelijk een toverwijn, En is die zwijmeldrank bij tengen ingenoomen, Hoe kwalijk zal die 't volk ten laatsten eens bekoomen!... zieveel. Ja! 't gaat zoo!... kijk eens om, en zie dien gindschen man, 't Schijnt, dat hij, als een pijl, op schaatzen vliegen kan. Zie ook die Visschertjes de snelste streeken maaken, Daar ze in één oogenblik uit aller oogen raaken.

Zie! hoe die boerentroep gelijk een kogel giert, Wijl hier een Eerste Baas, als aller meester, zwiert. Hoe zwaait hij gindsch en weêr met allerbande krullen! En daar - daar krast een hóóp van krabbelende prullen. Ai! kijk dien grijzen man! die leert zijn' kleinzoon staan, En bied hem de oude hand om scharlend voort te gaan. Daar nadert Een, die rijd met handen en met voeten, En waanwijs denkt hij hier zijn' Meester nooit te ontmoeten. Hoe haspelt gindsch die snaak! die - zoo ik waarheid gis - Vrij pijnlijk aan het been - of Winterhielen is: Hij heeft de wanten aan zijn' hakband vastgebonden, En, voor de drukking, dus een middel uitgevonden: Daar tuimelt hij op 't ijs dat hem de lenden kraakt, Wijl deeze met zijn val zich lachende vermaakt. Zie nu dit vrouwsperzoon vrij goed en lugtig rijden. Men giert en zwiert doorëen en zwenkt zich om te mijden. Zie! daar komt Krelis aan met Teunis, Jaap en Klaas, Met Maartje, Jaapje en Trijntje en Guurtje, uit Overmaas; Die rijden agterëen met handen op de ruggen. Zij danssen over 't ijs bij 't slaapen van de muggen. Zij kijken om noch op - dat gaat van Roon naar Dort, Terwijl 'er onder weg een poos gepleisterd word.

Men legt eens aan - elk neemt een' goeden klok Genever, Die geeft weêr nieuwe kragt, en warmt de koude lever. Nu kent men geen gebrek - elk heeft den broek vol geld; Schoon anders de armoê 't hart in 't sober stulpje kwelt. Zij gaan hun Snaar eens zien - of Petemoei bezoeken, En smullen zaakelijk van spek en pannekoeken. Men komt van Vlaardingen, Maassluis, en uit den Briel. Geen oude vrouw blijft tans aan 't snorrend spinnewiel. Hoe arm, hoe oud, hoe koud, hoe min voorzien van kleêren, Men moet toch eens op 't ijs, en ieder wat verteeren. 't ls alles op de been - ja, Grootje kuiërt meê. Hoe hard men klappertand - elk schijnt toch wel te vreê. ô Snaaksche bezigheên!...

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.