Tweede afdeeling.
traanrijk. ô Wanden van mijn hart! 'k Heb eens mijn stulp verlaaten; Maar naauwlijks trad ik uit, of zag de wijde gaten, Door 't kolkend water diep gegraaven in den dijk, Wijl 't gindsche binnenland, eene enkle zee gelijk, Zijn toegedekte kruin niet uit den stroom kon beuren. Mijn pas bedaarde ziel begon op nieuw te treuren.
't Is niet dan water, wat en waar men heden ziet! Zie, wat verwoesting is op onze Plaats geschied!... Hier staan de tuinen als in rouwgewaad te klaagen. De vreugd van 't schoon geboomte is in de zee gedraagen. Daar ligt het zomerhuis ontheupt en neêrgesmakt. Gindsch zijn de schuttingen aan slarden ingezakt. Hier zijn de heiningen en paalen gansch verlooren. Daar moet een enkle balk het hellend Lusthuis schooren. Gindsch liggen plank en steen op stapels hooggegooid. Hier is het dorrend riet langs weide en vloer gestrooid. Daar ziet ge al 't Linnengoed ter slijksloot ingedreeven. Gindsch bruggen van den nek der balken weggewreeven. Hier zit een Visscherschuit in 't blaadloos bosch gekneld. Een Tweede, voortgeduuwd door schuivend stroomgeweld, Heeft daar en boom en struik gedrukt, gekraakt, gespleeten. Gindsch ligt de stalpink dood op 't vochtig land gesmeeten. Hier toont zich de opening der sterkgeschokte schuur. Daar draagt mijn tuinhuis nog de tekens van dit uur. Gindsch is die breede breuk, die onzen krans doet gaapen. Hier ziet ge een zakking, - daar is 't jammerlijkgeschaapen. Gindsch is de Langebrug schier midden door geschokt. Hier ligt een schoorsteen om - tot enkel gruis gebrokt.
Daar dreigt een ander nog elk oogenblik te vallen. Gindsch is het dak gevild - naast uitgekaauwde wallen. De schoonerloofsche dijk, door 't wakker volk bewaakt, Spreekt door de kisting, hoe zijn lenden heeft gekraakt, Bij 't botzend persgedrang der kronkelende baaren... ô Noodnacht! Lucht en Zee scheen zich om strijd te paaren, Elk brak ontembaar los, met schroomlijk brulgeweld, Op huis en hoeve, en schuur, en muur, en duin, en veld, Om grendel-venster-deur, met dijken, wegen, dammen Uit houvast-en gewricht op eenmaal weg te rammen. De grasdijk, glad van rug, de fraaigelijnde tuin Gelijken, uitgehold naar doodsch en homplig duin. Het bleekbestorven gras ligt, platgeplakt, ter neder, Door slib en zand gedrukt, en schreit nog om dat weder. De ranke waterwilg moet zonder kroontje staan; Hoe droevig kwijnt de rij van Maasluchts Lindenlaan! 't Gehavend Zomerhuis blijft zinkende vertellen 't Gevolg van deezen vloed aan zijne lotgezellen. 't Is alles in den rouw - vooräl op gindsche werf. Verwoesting zetelt zich op 't maasbekijkend erf. Die schutting is geheel tot spaanderen gewrongen. De grofste balken zijn, als rieten, weggedrongen.
Zie deeze houtloots, zwaar gebeukt, geledenbraakt, Daar ze op haar teereling een roerend schouwspel maakt. Zie 't houten Westerhoofd, gebonsd van zijne schraagen, En op de raderen der golven weg gedraagen. De geele klinkers zijn door baaren kromgekruid. De dikke schoorpaal steekt zijn beenen 't water uit; Ook dit mijn Oosterhoofd is jammerlijk geschonden! Zie naast ons vak aan vak - de planken draagen wonden; Maar 't Bruine Bankje, ô Ja! is, in 't geweldig slaan, Tot mijn genoegen nog onwrikbaar blijven staan. En, zong ik nog al meer van 's Hemels vrijë daaden, Hoe hoog klom dan de lijst van deerelijke schaaden, Die ieder Havenaar in deezen slagttijd leed...! Maar gun mij, zanggezel, die onze rampen weet, Tot die bijzonderbeên niet dieper af te treeden: Genoeg. Ik roep, mijn volk! wat hebt gij tans geleeden! Uw Koren-branderij, uw winkel, stal, en goed Verkondigen alöm den weedom van dien vloed! Een' vloed, zoo hoog, als ooit 's Lands grijzen ons vertelden; Een' vloed, zoo schrikkelijk voor huizen, straaten, velden, Ach! Troosthart!...
troosthart. Boezemvriend! die Eeuwige regeert, Wiens maai-zeis 't groenend loof van Eik en Elzen scheert. Het voegt ons hart aan hart zijn Moogenheên te zingen. Obadjaas Bondgod schenkt na smart - verädemingen. De stroom gehoorzaamt Hem, die voor het menschdom waakt. traanrijk. Wat zien de beemden dor!.. Wat zijn de velden naakt!.. De Leeuwrik is met zoodje en Wijfje en kroost verdronken. De Kievit weigert met zijn vedertjes te pronken. Het Winterkoningje zuft op den natten tak. De Maasbaars schrikt en vlucht voor 't afgereeten wrak. De zilvren Zalm ontsteld - is ook van honk gezwommen. De Maas heft klaagtaal aan voor huis en heiligdommen. De Visscher ziet bedeesd - het buisgewoel staat stil. De nieuwe en oude Maas - de alömbekende kil, Met IJssel, Merwe en Waal - en all' de Landrivieren Zijn droevig, dat die storm langs haaren rug moest gieren! De rietendakjes slaan, in 't overmaassche land, Hunne oogen moedeloos op 't meedezugtend strand! De neêrgeslagen boer, met koeiën, pinken, schaapen, De kwijnende boerin met half verkleumde knaapen,
De korenkeukens, stulp en leeggespoelde schuur Bekermen 't ongeval van beemd-en akkerbuur! ô Storm! ô Vloed! gij brengt een heir van ongelukken, Die 't hollandsch kanaän in bloei en zenuw drukken. Wat schrik verspreid zijn stem in gansch ons Nederland! 't Herdenken jaagt een koorts door 't huivrig ingewand. Hoe moedverliezend staan 's Lands klaverparadijzen! Wijl ons en stad en dorp op geesselingen wijzen!... Ach! Troosthart!... troosthart. Boezemvriend! de sterke God regeert, Schoon 't vogeltje, in het bosch beängst, niet kwinkeleert, Noch tortelstemmetjes langs vruchtbre takjes glijden. De God van Habakuk bestuurt de wintertijden. De velden leeven nog - al zijn zij nat en vaal. traanrijk. De jammertijding stroomt door 't breede nieuwskanaal. Het magtig Amsteldam vermeld ons zwarte nooden. Het hoflijk 's Graavenhaage ontrust ons: - naare booden Verkordigen de schae van 't bloeiënd Rotterdam. Ik schrikte als 't Nieuwspapier in onze waereld kwam! Wat stroom van rampen woelt in 't pinkrijk Scheveningen! Het lustig Haarlem klaagt met dor-en veldelingen.
Het zindelijk Zaandam bekermt zijn lotgeval. Het dijkrijk Heusden beeft in zijn' bedamden wal. De Landklagt kan alöm van 's Hemels roede spreeken. Het noodbericht vliegt voort uit Kenmerlandsche streeken. Daar 't Visschend Egmond bij het lóótsrijk Petten treurt, En 't Beverwijksch bericht de trommelvliezen scheurt. 't Laagliggend Amersfoort - en 't IJbeminnend Muiden Doen zien - hoe golven 't Schip zelfs over dijken kruiden. 't Geen 't zeeziend Noordwijk zegt, en 't zandig Zandvoort meld Maakt Holland moedeloos - en mijn gemoed ontsteld. Het Visschersvol Maassluis, dat stof heeft God te roemen; Moet echter Roozenburg een' loutren stroompoel noemen. Mijn Delssche Haven kermt ook in de treurkourant. 't Aloude Dordrecht is doorstroomd aan allen kant. 't Noordhollandsch Texel toont rampzaalge zeetooneelen. Wijl 't duindorp Kalansöog stormslagen meê moet deelen 't Vierhoekig Elburg roept den nood der masten uit. Daar Meeuwens schorre toon op matte velden stuit. 't Armoedig Dussen schreit - en volgepompte dorpen Zijn zugtende in een kolk van jammeren geworpen, Het handeldrijvend Zwol boekt Overijssels wee, Door 't woeden van den storm - en 't steigren van de zee
't Bekende Mastenbroek, - dat pakhuis van de boter, Gesteld ten pekelplas, maakt daar den slag nog grooter. 't Grijs Genemuiden zuft - het Land van Holtenbroek Vertoont een doodsch gelaat in deezen bangen hoek. 't Vlijtkweekend Harderwijk - en 't ijsselgroetend Campen Ontwaaren onderling 't gevolg der waterrampen. Het digt gebouwd Blokzijl - de laage Blankenham, Die met het frisch Zwartsluis 't geweld der zee vernam, De smalle Kuinder - en het aadlijk Vollenhoven, Aanschouwden 't Zuidernat, onzinnig opgestooven. Wat hartdoorsnijdend Nieuws rolt uit de Goederee, Met schipbreuktijdingen van 't zoute Zierikzee, Verzeld door 't klaagbericht van 't waterscheppend Thoolen. Hoe moet nu de arme hóóp langs naakte velden doolen! Mijn vriendlijk Wieringen verdronk in 't Noordernat, 't Eenvouwig Eiland derft een' digtgewolden schat. Het ziltige Flacque - de doorgeboorde polders, De blanke Zwaluwe, de daverende zolders, De grijze Helder - en het kielömarmend Vlie Beroeren mijnen geest, als ik den postbrief zie. 't Heiminnend Eemenes beweent zijn ganzenkooiën. Bunschooten zal 't geklag langs zijne Rosmarkt strooiën.
De Veluw ziet benaauwd - de Steenenkamer vreest, Daar 't dekkend Spaakenburg bedremmeld is geweest. Het veerijk Friesland wringt de traanen uit mijne oogen. Elk stort zijn noodgebeên, met hoeve en volk bewoogen. ô Hartenteistrend uur! Wie trilt niet bij de lijst? Daar zelfs de sterkste ziel op 't zwart register ijst!.. Zie 't Noordergrondzand nu door boomen heengesmeeten, De buik der dijken gaapt door 't kookend zout gespleeten. Ach! schrikrol! geen bericht is uw bericht gelijk! 'k Zal u verëeuwigen in Neêrlands Rampkronijk. ô Wanden van mijn hart! gedrukte Landgenooten! De Godssiool heeft dus een oordeel uitgegooten. De Harp beeft in mijn hand - mijn kragten zijn te teêr! De schootnier zugt... 'k bezwijk ... ai mij!.. Ik kan niet meer.
Cookies on Poetry Cove