Nazang.
Dus werden storm en vloed in Beurtgesprek bezongen,
Wijl Troostharts lieve taal, die meermaal 't hart genas,
Voor Traanrijk in dit uur meer dan een balzem was,
Wiens kragt veröorzaakt heeft, dat bange nieren sprongen:
ô! Riep hij, waaren all' mijn leden enkle tongen!
Mijn Husaï kwam mij, in 't klaaguur juist van pas,
Daar hij al zingend, nut uit zwaare wegen las.
De Moedeloosheid is door zijn gezang bedwongen:
Gij, bruine Zangbank, die mijn Maasvermaakje zijt,
Getuig van 't Beurtgezang in deezen drokken tijd,
Verwagt me eens weêr om hier mijn harplust blij te boeten.
't Werd avond. Troosthart is vooraf naar huis gegaan,
En Traanrijk volgde, en zag zijn Moedrijk wagtend staan.
Ze omarmt hem. 't Slotwoord was: mijn Troosthart laat u groeten.