Nazang.
Had Merkhart zijn begeerte op 't blinkend ijs genoeten,
En was zijn wandeling genoegelijk volbragt,
Dus wedervoer hem 't geen hij nimmer had gedagt,
Om op zijn Plaatsrivier Gods Deugden te vergrooten.
De winter heeft een deur voor zijn gezang ontslooten;
De volle vreugdbron stroomt, schoon 't al bevriest, met kragt;
ô Nooit gedempte well' voor 't Dichterlijk geslacht!
Gij sprongt voor Hem en Een', uit deezen stam gesprooten.
't Is avond, en de zon groet onze Zuiderstreek.
Wat zien en hoeve, en beemd, en gragt, en boomen bleek!
't Vriest sterk. Hij voelt de koude aan handen, neus en voeten.
Zijn Harpvriend kruipt bij 't vuur, en Merkhart, zeer voldaan,
Zoekt Zwakhart in de buurt, om ook naar huis te gaan.
Zij kuscht hem. 't Slotwoord is, mijn Zieveel laat u groeten.