Tweede Afdeeling.
merkhart. Gij kunt al aartig praaten Van al wat tans gebeurt op deeze waterstraaten. 'k Mag dit wel hooren; maar gun - wijl ik naast u ga, Dat ik het geen gij ziet nutzaamlend gadesla.
De Maas scheukt een tafreel voor mijn bespiegelingen. zieveel. Wel aan! sticht mijne ziel door uw nutplukkend zingen. merkhart. 'k Bewonder nette kunst, die fraaie slagen doet, Os vliegend loopt en glijd, en naakte boomen groet. 'k Bewonder kunst en kragt in meesterlijke zwaaiën, Het hellend buigen, 't staan, de kronkelende draaiën, Het zeldzaam wandelen op ijzertjes, zoo glad Gesleepen als een glas, en in het hout gevat. 'k Zie op één ijzertje het zwenkend lichaam hangen, Daar 't kunst op kunst verricht met onnavolgbre gangen; Maar onder al dat fraai schuilt hovaardij te veel; Die speelt haar rol te lomp op dit vermaaktooneel. De Baazen laaten zich door haare prikling plaagen, Om kittelende taal des prijzers weg te draagen. Hoe tuurt men op zich zelf, daar 't been zoo drillend maait, En beurtling regts en lings het deinzend lichaam draait. De Baanbaas, hoog getild door elks bewonderingen, Voelt zijnen lof op 't ijs door merg en beenen dringen. Hij gunt zich nimmer rust - hoe gustend rolt zijn zweet! Hoe klopt hem 't golvend hart, nu hij zijn kragt besteed!
Maar slegts één scheurtje in 't ijs - één strootje kan hem stremmen Één vreesselijke val den stoutsten IJsheld temmen. Hij denkt niet, hoe hij nu in veel gevaaren steekt, Als aan den kunstschoen slegts een enkel riempje breekt. Ook ziet ge en hier en gindsch een zoort van losse snaaken, Die smakken op het ijs, dat Lendenhengzels kraaken, Of, dat de herssenpan in 't nederplossen dreunt; Hoewel geen van dat slag zich aan gevaaren kreunt, Noch Gods bewaarend oog zoekt dankbaar op te merken, Of met ontzag te zien op wondervolle werken. 't Gaat hier en daar te dwaas, te godloos en te wild, Wijl schaamele armoê los haar penningsken verspilt. Dat Krelis met een' troep van boeren en boerinnen, De man met vrouw en kind - de vrienden met vriendinnen, Een wintertogtje op Maas in 't vriezend jaarsaizoen, Tot schuldeloos vermaak, of naar hun maagschap doen. Dat Ouderdom en Jeugd op stroom zich eens vertreeden, Of rijden op-en neêr in ijs- en arresleeden; Noch 't een noch 't ander word door mijn gezang gegispt; Maar 't ijdel misbruik vrij en redelijk berispt.
zieveel. Staat beenen! staat! ik glij! daar had ik haast gelegen! merkhart. Houd vast! pas op! gij gaat op spiegelgladde wegen. zieveel. Uw spooren doen mij goed - ik houde u verder vast. merkhart. 't Is wel: kom voort! hier dient op pad en tred gepast. zieveel. Wat zie ik? 't Is een koets - bespannen met twee paarden, Die moedig trippelen met kegels aan de baarden! Het zwaare Rijtuig is met menschen volgepakt; 'k Zie, hoe een gansche zwerm naar 't staatzie voertuig zakt, En, luister... hoor ik wel? dan hoor ik de IJsgezellen, Elkandren met veel smaak voor grooter Nieuws vertellen, Dat jongst zes paarden zijn, op deezen zelfden vloed Getoomd voor een Charet, door duizenden ontmoet. merkhart. Ja wel: ik heb dit zelf in 't Nieuwspapier geleezen. zieveel. Voor mij: 'k zou voor dat zoort van toeren nimmer weezen.
merkhart. 't Geval is ongemeen: de Naneef kan, 't is waar, Dit nieuws verzegelen; doch 't ijs heeft veel gevaar. Die vracht was, in mijn oog, op eenmaal te gewigtig. Hoe ligt raakt ook een paard, vooräl op de IJsbaan, schichtig; Of die riviervloer in een oogenblik gescheurd!.... zieveel. Gescheurd! Houd op...ik lil...wat waar' dan niet gebeurd!... merkhart. 't Propt bij die koets wat vol. - Laat ons ter zijde wijken, En andren, zoo 't hun lust, die van nabij bekijken; Ook maakt de ronde Zon zich voor het Westen klaar, De slotdag eindigt straks deeze eerste maand van 't Jaar; 't Zal bij den avond zijn als we op de Haven koomen. zieveel. De tijd wenkt ons naar huis - 't Vermaak word weggenoomen, Als 't laat word op het ijs - 'k Gun andren deezen lust, De huisgenoot zit dan, met reden, ongerust. 'k Ga met u - mag ik mij nog op uw' arm verlaaten? merkhart. Zeer graag. zieveel. 't Is wel. Laat ons al wandelende praaten;
Maar zie - alvoorens wij uit deezen volksdrang gaan, Die Schuitjes op het ijs in volle zeilen staan. merkhart. IJsschuiten is hun naam - die 't volk voor geld kan huuren. De Winterwind doet die schier vliegen onder 't sluuren; Zij maaken sterk geraas - ik kies dat Vaartuig niet. zieveel. Noch ik - 't moet, als dit tuig zoo schroomlijk snorrend schiet In zulke Schuitjes koud, en zeer gevaarlijk weezen. merkhart. 't Is zoo. De minsten vliên het geen zij moesten vreezen. Daar komt een vrachtsleede aan! de wimpel voert Schiedam. De Moutwijn kuiërt nu, waar 't schip zijn gangen nam. Wat schort dien blaauwen man? die, paarsch van kou, zijn handen In zijne zakken houd, en staat te klappertanden. Zie! hoe hij keer op keer met zijne voeten trapt. Zijn zeildoekstentje is schraal, en overäl gelapt. Daar ligt een vat twee-drie met brandewijn gelaaden, Met bier - genever - zoo geliefd op deeze paden. Het schijnt dien zoopjes man, niet naar den zin te gaan: Hij roept! maar vruchteloos - ‘legt mannen! legt eens aan! 'k Heb waar, zoo goed als ooit of ergens is te krijgen;’ Wij naadren - en hij wil zijn' koekoekszang niet zwijgen.
Hij ziet ons en hij knikt: hoe? gaat dat zoo voorbij? Komt Heeren! schreeuwt hij, komt! legt ook eens aan bij mij! Daar zijn we 'er.. merkhart. Goeden dag. Wel - man! hoe gaan de zaaken? Kunt gij nog goede winst in deeze herberg maaken? Mij dunkt ik ken u. penninglief. Best! - maar 't wil hier niet voor uit, Mijn naam is Penninglief - doch of ik roep en fluit, En bittre kou verduur, en neeringloos blijf klaagen, 't Gaat slegt. Ja Heeren, 't kan geen' gulden nog bedraagen; 't Geen ik van 's morgens vroeg tot heden avond won. Komt! neemt een borreltje bij 't daalen van de Zon. Mijn waar is kostelijk, gij moest eens helder klinken, En vrolijk op het IJs, als natte makkers drinken. Zegt! zal ik tappen? merkhart. Neen: Wij zijn van 't drinkvolk niet. penninglief. Dat dunkt mij ook, daar gij zoo uitgestreeken ziet.
Die bij mij drinken - maat - zijn mijne beste vrinden. merkhart. Gij zult het beste goed op deeze wijs niet vinden. penninglief. Loop heen met uwe les! die past wel in de kerk, Maar op geen ijs: hier is plaizier ons winterwerk. merkhart. ô Penninglief! penninglief. Tut! Tut! Ha! mannen! gaat eens zitten! Komt hier! komt! legt eens aan Hollanders! Moffen! Britten! zieveel. Hij hoort u niet. merkhart. Wij gaan. Zoo gaat het meenigmaal, De minsten vinden smaak in wezenlijke taal. 't Is meest alleen te doen om lokkend geld te winnen; Maar 't kleinst getal brengt zich den waaren pligt te binnen. zieveel. Hier is een bijt gehakt - rondom met riet gedekt, Waar uit een ander ligt nog Winter voordeel trekt; Zou dat zoo weezen?
merkhart. Ja: 'k las wel in winterzangen. Dat slimme Visschers dus den schoonsten spiering vangen. Ook heb ik wel gezien, dat hier en daar een net, Op voren dag en nacht bij 't schip werd uitgezet. Zoo word om spiering en een zoodje blanken voren Door Vanggraag de eedle tijd meest visschende verlooren. zieveel. Wat doet en wroet de mensch voor 't winnen van den kost! merkhart. De Ontspanning is hem nut bij 't waaken op zijn' post. De logge luiäart is een ballast deezer aarde; Maar 't laag en blinkend Niet, hoe weinig ook van waarde, Word dikwijls dag en nacht door andren nagejaagt; 't Is Stoslief, die geen zorg voor 't blijvend zieldeel draagt. Hij zal om 't geld- en koude en ongemak verächten; Maar 't denken aan de ziel blijft uit zijn goud - gedagten. zieveel. ô Dwaaze sterveling! gij keert den Godslast om, En nimmer hoort uw hart de stem van 't Heiligdom. Daar zijn we aan 't Oosterhoofd. De zon zakt naar de kimmen; Doch: eer we op gindsche plank het vaste Land beklimmen,
Laat ons een oogenblik die Maastent eens bezien. Wat of men bij die vlag aan 't volk te koop zal biên? De rook stijgt naar de lucht - men is 'er drok aan 't handlen Konvoiren - ketels - vrouw - alarm zijn hier aan 't wandlen. 'k Zie aarden kommetjes op bank en tafel staan. Hier klinkt ook 't heesch geroep: legt mannen! legt eens aan! Daar komt een gansche zwerm van bruingekleurde boeren, Die hunn' boerinnetjes op schaatzen met zich voeren. 't Rokdraagend Hollandsch volkje is ouderwetsch gekuifd, Wijl 't zaagzel van het ijs door 't snerpend krassen stuift. 'k Zie 't floddrend schortekleed op 't Oostenwindje danssen, En Landboerinnen met schaatslauweren bekranssen. Houd stil. Nu zet men zich op all' de banken neêr, Men veegt zijn zweet eens af, en elk herstelt zich weêr, Na dat men in die tent, vol boersche victualie, Een kom gedronken heeft met warme melk van Salie. Hoe menig duit, of oortje, of stuiver word versnoept, Wijl vast de Salievrouw bij 't pleisterplaatsje roept. Zie zoo, zegt Guurtje, zoo, dat kan ons weêr verwarmen. Dit doet mij goed, schreeuwt Klaas, dat smaakt, en smeert de darmen. Geef mij, roept Diewertje, nog eens een volle kom. De koopvrouw reikt, verheugd, haar' geurgen poespas om;
Maar Teunis kraait om melk, gekookt met nagelbollen. De zinnen van dien troep zijn al te maal aan 't hollen. De smalle Maastent schijnt met gekken volgepropt. De blaauwe neus bevriest, wijl 't pijpje word gestopt. Men rust op deeze plek het vierde van een uurtje, En Teunis steekt eens op, bij 't schaatren van zijn Guurtje; Nu voort op reis: men spant de schakel op één' rang, Daar snort men ijling weg, met slagen, even lang. Wat gaat 'er niet al om bij deeze tijdverdrijven! De Maas gelijkt een markt. Gindsch hoor ik andren kijven, En deeze jongen grimt - hij krijgt een bollebuis; Maar, hoe zijn vader wenkt, hij wil nog niet naar huis. Een andre Koopvrouw kan geen oogenblikje zwijgen; Zij vent Rozijnen, Kaas, Amandlen, Koek en Vijgen; Maar haalt verkleumd en traag, en daar zij wagt en hoopt, De ranke schouders op, om dat zij 't minst verkoopt. 'k Verslijt die menschen meest in dit saizoen uitzinnig. De lucht, bij fijne kou, staat nog al even vinnig. 't Is beter bij den haard.
Cookies on Poetry Cove