De Amstelstroom. Eerste zang.
Wateräders! Bronnen! Stroomen! Lokt uw kabblend golfgeluid Al 't gevederd zangkoor uit, Daar gy vloeit langs groene zoomen; De edle Dichtkunst zong voorlang, By uw spelend stroomgeklater, By het schuimen van uw water, Menig vloeijend stroomgezang. Thans kan de Amstel my bekoren, Door zyn pracht en landsieraad; 'k Zing zyn' glorieryken staat; 'k Ben aan zynen zoom geboren.
'k Heb, in ongestoorde rust, Toen myn jeugd naauw' was ontloken, Onder 't lommrig groen gedoken, Hier de Poëzy gekust. Kunt ge, ô Stroom! myn' zanglust wekken, 'k Zoek uw' oorsprong. Adelaart! Was u ooit de vriendschap waard, Wil me een' Palinuur verstrekken. De Amstelstroom kon ons voorlang In een stille rust vermaken. 'k Voel myn' geest in yver blaken Tot het voorwerp van myn' zang, Reisvriend! daar wy spelevaren Langs den Stroom. ô Westewind! Doe ons dobbrend jacht gezwind Glippen door de dunne baren! Adelaart! dit waterveld Weet my aan myzelv' te ontvoeren. 'k Zie ons jacht den stroom beroeren Daar het door de golfjes snelt.
Edle Vryheid, die uw' zetel Hebt in Nederland gesticht! My zo waard als 't levenslicht. 'k Zoek uw' bystand niet vermetel. 'k Zing de glorie van uw' grond, Daar gy, van aloude tyden, Zaagt tot uw bescherming stryden, In zo menig veegen stond. Toon my, in uw landgeschichten, Wat men durfde om u bestaan. Blaas my door uw' invloed aan, Nu ik myne maatgedichten Uw' beroemden Hoofdstroom wy'. Schenkt de Kunst my dichtlauwrieren, 'k Wensch ze alleen om u te sieren. Leef in myne poëzy! Mag de Tiber Rome groeten; Eert de Seine 't grootsch Parys; Mag de Theems, op de eigen wyz', Londen in zyn' loop ontmoeten;
De Amstel, wien myn dichtgeest roemt, Mag een Waereldstad aanschouwen, Ziet ter wederzy' landouwen, Beiden naar zyn' naam genoemd. Beemden, die ons oog kunt trekken! Vruchtbre Weiden! Klaverveld Dat van melk en boter zwelt! 'k Mag den oorsprong hier ontdekken Van den wydberoemden Stroom. 'k Zie twee vlieten zich veréénen. 'k Zie rondom my plas en veenen. 't Vee weid ginder zonder schroom. 'k Hoor noch ruisschen, noch geklater; 'k Vind noch berg, noch waterval; 't Gantsche land is slechts een dal, Doorgaans lager dan het water. Utrecht voert het rechtsgebied Over deze vruchtbre landen, Polders, veenen en waranden. 't Wrokt aan de oude veete niet,
Met zyn brave Nagebuuren Naauw veréénigd, lotgemeen, Sints de Hierarchy verdween Uit zyn Bisschoplyke muuren. 'k Zie het ruisschend beekkristal, Uit twee adren toegeschoten, Hier tot éénen stroom gevloten Zonder bron of waterval. 'k Zie den Amstel welig vloeijen Uit den waterryken Drecht, En den Mydrecht of de Grecht, Daar zy 't Blokland mild besproeijen. De een, die uit het Meer zich spoed, 't Meer dat Hollands klaverlanden Knaagt met rustelooze tanden, Paart zyn nat hier met den vloed. De ander, uit den Ryn geboren, Smelt zyn' naam en stroom in één Met de Myë, by Westveen; Hier is beider naam verloren;
Deze schade deert hen niet; De Amstel durft hen beiden roemen, Beiden zynen oorsprong noemen, In zyn magtig ryksgebied. Doet, ô uitgestrekter stroomen! Steil gebergte, rots en dal, Siddren door uw' waterval; Doet vry veld en akker schroomen. Onheildreigend golfgerucht, Ver van oog en oor te streelen, Stoort de schelle Filomelen, Daar zelfs de Echo schreit en zucht. Amstel! op uw stroomgeklater Heft de wildzang vrolyk aan; De Echo, langs uw wandelpaên, Lacht op 't ruisschen van uw water. Grootheid, staatzucht baart verdriet; 't Snood geweld der heerschappyën Doet de vergenoeging lyên; Trotsheid kent zichzelve niet.
Golfjes, die myn jacht doet danssen, Die my blikkert in 't gezicht, Daar u 't ryzend morgenlicht Tooit met heldre zonneglanssen! Woont in deez' kristallen vliet Stroomprinses of Vlietgodinne? Blaken Plasnajaên in minne? Schuilt een Stroomgod in het riet? 'k Zal dan, als de Aloudheid, zingen Zyn geduchte heerschappy, Zyn benyde minnery, Welke buuren hy kon dwingen; Welk een wrok... Maar neen: die Goôn Acht gy fabels, loutre droomen; 's Hemels magt beheerscht de stroomen, Uit den glorieryksten troon. 't Windje, dat het zeil doet zwellen, 't Zacht geruisch der blaadjes wekt; 't Windje, dat onzichtbaar trekt, Ongevoelig ons doet snellen,
Voert ons, in een' korten stond, Onder 't wenden en laveeren, Daar wy zingend' stadwaards keeren, Langs de lustplaats Amstelmond, Tot de hoven en gehuchten Daar de werkzame Arbeid woont; Daar zich Nedrigheid vertoont, Die, vernoegd met eigen vruchten Van het land of uit het veen, In geringe veldgewaden, Met geen staatzorg ooit beladen, Denkt om pracht noch zeldzaamheên. Zou de Uithoren my niet wekken, Om des veenknaaps noeste vlyt, Daar hy onvermoeid zich kwyt, In zyn lastig werk te ontdekken? Zou ik....? Hoe! wat stoort myn' lust? Zyn de landen hier verdronken? Zyn de beemden weggezonken? Maar ik zie, de Bouwman rust
Hier in schaaûw van wilgeboomen, Bleek van groen en smal van blaên, Die om 't lage hutje staan, En zyn hoeve en erfje zoomen. 't Vruchtbaar weiland, ryk van gras, Zonk niet door 't geweld der golven, Maar het is om 't veen bedolven Met dien wyden waterplas. 'k Zie slechts hier en ginds een eiland. Naar tafreel van bange nood! Is de dwaling niet te groot, Dat men water kiest voor weiland? Landman! wie trok 't eerst het veen Uit dees plassen met de netten? Deed gy 't in uw pramen vletten? Hebt gy de akkers 't eerst getreên? Zaagt gy 't veen des zomers droogen, Om, wanneer de felle vorst 't Water met een harde korst, Met het ys houd overtogen,
Door dees brandstof, aan den haard, 't Koude en natte lyf te warmen; Daar zy ryken, daar zy armen De aangenaamste koestring baart? 'k Zie, de Gryzaart treed ons nader, Leunende op eene angelroe': ‘Vrienden! (roept hy gul ons toe,) 't Heugde zelfs niet aan myn' vader, Wie ginds, onder Waverveen, Mydrecht, Botshol, Ruige Willis, Wyl de zaak hier in verschil is, De eerste turven heeft getreên. Maar ik kan u waarlyk melden Dat ik, in myn' jongen tyd, Hier noch kende, wyd en zyd, Hoeve en akkers, breede velden. 't Heugt my hoe ik, met myn vrouw, Om voor 't huisgezin te zorgen, Zwoegde en slaafde, van den morgen Tot den avond, in den bouw.
'k Zag Gods zegen op ons vloeijen, By de dropplen van ons zweet, Die, terwyl men trapt en treed, 't Halfgedroogde veen besproeijen. Wy, die dus het vruchtbaar land Zagen in een' plas verkeeren, Moesten ons allengs geneeren Met de visfuik, met het want. Doch myn vlyt is nooit bezweken, Hoe veel zorgs ik heb bezuurd; Heel de Uithoren, Vinkebuurt, En de Nes is dit gebleken. 'k Heb...’ Maar hoe! myn dobbrend jacht Ligt in lisch en riet gedreven. 'k Zie noch blad noch telgje leven. 't Windje rust en fluistert zacht. Leef by vrucht van veen en water, Gryze vriend! leef ongestoord! 't Kabblend stroomnat dryft ons voort, Daar het vloeit met zacht geklater.
Trekt de Merkpaal hier ons oog; Zy, zy doet my de ommetrekken Van ons Amstelland ontdekken; Daar men hier de scheiding toog Tusschen Utrechts vruchtbre landen, Langs het Tamer rechtsgebied; Daar thans ieder rust geniet; Daar nooit Hebzucht snoode handen Strafloos slaat aan 's nabuurs erf; Daar all' wat de Vrede zaaide 's Krygsmans roofzucht dikwerf maaide, Tot des onderzaats bederf. Hier, in dees beveiligde oorden, Leeft de Vryheid vry en bly; Eendragt bind de maatschappy Met haar zachte liefdekoorden. Ongedwongen toont Natuur Hier een vrolyklachend wezen; Bloempjes, in het rond gerezen, Koestren zich in 't zonnevuur.
Dees verheffen steile topjes; Genen duiken in het gras; Andren zoomen 't spiegelglas, 't Stroomnat met hun schoone knopjes. Wat verschil ontdekt zich hier In de wortels, in de zaden, In de takjes, in de bladen, In de rankjes, los van zwier! Wie vond immer schooner kleuren? Meer verscheiden aart en kracht In de sappen, scherp of zacht? Zoeter artzenyëgeuren? Telgjes, hier zo frisch gegroeid! Tedre kruidjes! tengre planten! Siert des Amstels groene kanten, Tot wiens luister gy hier bloeit. Zo we u van uw steeltjes plukken, Treurt niet: eer uw glans vergaat Strekt gy Maagden tot sieraad, Zult gy zacht haar lokjes drukken.
Distels! waartoe kweekt u de aard'? Uit uw sappen, sterk van krachten, Kan het krankbed hulp verwachten. 'k Zie Gods straf met heil gepaard. 't Windje doet weêr 't stroomnat leven; Kust de telgjes; lacht ons aan; Doet, langs koele waterpaên, Ons met grooter snelheid zweven. De oude Waver, die het nat Van den Winkel moet ontfangen, Loost, na bochtige ommegangen, Hier het vochtryk watervat; Doet de golfjes welig spartlen, Door een grootsche pracht gesierd, Daar het edelst pluimgediert', Schoone Zwanen, duiken, dartlen; Daar, in 't spieglend stroomkristal, Zacht beroerd in duizend kringen, Schaduwtegenvoetelingen, Haar verzellen overal.
De een spoelt hals en borst en pluimen, In het fladdrend waterwed; De ander, die de vleugels net, Doet het bruisschend water schuimen. Deze zwemt, met snellen spoed, Door de tuimelende baren; Die zien we, onder 't spelevaren, Wenden, draaijen in den vloed. Hebt ge ooit stroomgareel gedragen, Vogels! trekt myn dobbrend jacht; Siert... Maar neen; uw vederpracht Voegt niet aan myn waterwagen. Ziet gy schoone Rozegaard Hier het trage schuitje roeijen, Wilt u tot haar' dienst dan spoeijen; Zy is zulk een glorie waard. Blanke Zwanen!... Doch wy streven, Siersels myner poëzy! U te vlug, te ras voorby, Daar we op 't vlak des Landstrooms zweven;
Daar de Vriendschap ons verzelt; Daar wy, vrolyk opgetogen, Weiden, met verwonderde oogen, In 't verschiet van stroom en veld. 't Bedehuis, hier stil belommerd, Noopt den veld- en dorpling aan Yvrig naar den dienst te gaan, Daar hen 't zielsbehoud bekommert; Dienst, die 't statig eerbewys In kerkplegtige gebaren, Misgewaden en altaren Regelt naar de Roomsche wyz'. Zwaluwbuurtje, klein in achting, Laag van hutten, klein van faam! Gy, gy zyt ons aangenaam, Mooglyk boven uw verwachting; Want gy toont ons Amsteldam In zyn' ouden staat naar 't leven, Eer het, uit moeras verheven, Ryke Zeevaardy vernam.
Hoe! zien wy het stroomnat wassen? Werpt een bron, met zacht geluid, Altydlevend water uit? Neen; 'k zie Voorzorg ons verrassen. Voorzorg, die 't geweld der zee, 't Zwellen van rivier en meiren Hier van ouds trachtte af te weeren, Vormde zich een legersteê; Maar het weiland, eng besloten, Door een ringdykaadje omvat, Zonk des winters, door het nat, Door een' stortstroom overgooten; Of het vreeslyk stormgeweld Scheurde kaden, dam en dyken, Deed u dikwerf zuchtend wyken, Voorzorg! van het zinkend veld. Straks, toen Wetenschap en Kunsten Traden in ons Vaderland, Bood de Wiskunst u de hand, En bewees u dierbre gunsten.
't Waterwerktuig, naar de maat, Evenredig uitgevonden, Heeft zy wieken aangebonden; Nam den vluggen wind te baat; Stelde zelfs dien luchtstroom palen Om de kunst ten dienst te staan, En, op wentelende raên, 't Polderwater op te malen. 'k Zie het langs den groenen kant Van den zilvren Landstroom bruisschen. 'k Hoor het breede scheprad ruisschen. Wiskunst maakt, van water, land. Roemt de kunsten, Veldelingen! Kunsten, die men kweekt en voed Aan de zoomen van den vloed, Dien wy thans ter eere zingen. Doch het kabblend stroomgeweld Doet ons spoeden naar beneden. Hier ontdekt ons oog een Eden, In het Ouderkerker veld.
'k Zie, hoe ver 't verschiet moog' wyken, Westwaards aan een binnenzee, Die, hoe wel bepaald, alreê Poogt te worstlen door de dyken. 't Gantsche Bovenkerkerland, 't Gantsche Legmeir is verdolven; 't Klaverveld zonk in de golven Door den nood om winterbrand. 't Vruchtryk Aalsmeer ziet de scheiding Tusschen Rynland overspoeld; Rynland, dat den last gevoelt Van een kostbre waterleiding; Dat het groote Leidsche Meir In zyn' boezem houd besloten, Dien wy hier zich zien vergrooten, Ondanks alle tegenweêr. Welk een leed is hier te duchten! Hemel! zulk een nagebuur Zal gewis, ter kwader uur, Ons niet dan te dra doen zuchten.
De Ondervinding vreest den slag; Wenscht dat zy noch mogt aanschouwen All' de grazige landouwen, Die zy voor vyf eeuwen zag; Toen vier Meiren, niet besloten, Onbepaald door dyk of sluis, 't Water, met een zacht gedruis, In den stillen Ystroom goten. Meiren, die, van 't klaverveld, Vyf en zestig honderd morgen Hielden in hun wed verborgen, Cynsbaar aan hun stroomgeweld. Voor twee eeuwen kon men 't woeden Dier vierdubble watermagt Noch weêrstaan door kunst en kracht: Maar wie kon den schrik bevroeden, Toen de Landzaat, wyd en zyd, Zag zyn vruchtbre beemden zinken, Alles in één' plas verdrinken, Vyftig jaren na dien tyd?
Door het water overrompeld, Baatte hem geen onderstand; Noch zes duizend morgen land Wierden in die zee gedompeld. 't Was den beemden, laag en dras, Sints niet mooglyk af te weeren 't Woeden dier veréénde Meiren; Alles wierd, in 't rond, moeras. Door de kracht der onweêrwinden Zag men 't opgeruide Meir, Als een' wreeden waterbeer, Woedend, beemd by beemd verslinden. Eer eene eeuw haar' cirkel sloot, Eeuw vol oorlogswee en zorgen, Zag men met zesduizend morgen Weêr den wyden plas vergroot, Ja, dat ondier onzer dagen Doet de landen, omgewroet, Ryzen, dalen met den vloed. 'k Zie het noch op de oevers knagen.
'k Zie, zo niet de Hemel 't stuit', Gindsche dyken weggeslagen; 't Voortgedrongen water jagen, Met een schrikkelyk geluid, Over 't weiland, door de veenen. Dan, dan vliegt, ô Amstelstroom! 't Brullend nat tot aan uw' zoom. Wat gevaar!... Maar zacht! waar henen Voert ge ons, uitgeveende Plas! Wek ons geen bekommeringen! 'k Vest myn dichtbespiegelingen Op dit levend spiegelglas, Nu de Vloed my wil onthalen Op een ruisschend stroommuzyk. Kom, in dees gewenschte wyk, Blyde Hoop! de vrees bepalen! Voorzorg, die van yver brand Om dien landplaag in te dyken, Schenkt wellicht ons ras de blyken Hoe zy water maakt tot land;
Land van onwaardeerbaar voordeel Voor den nyvren onderzaat. Zo geniet' de vryë Staat Zegen na een dreigend oordeel! 'k Ben Waardhuizen reeds voorby. Spoei ik vlugger door de baren? Ja, ik vind, in 't spelevaren, Ruimer koelte, en rasser ty. 't Westewindje blaast nu felder, Daar de zon 't betrokken zwerk Bruin maakt achter Ouderkerk, Dat, in 't vergezicht, zich helder Opdoet met de breede kruin Van zyn' overöuden toren. 't Loopveld zou ons hier bekoren, Daar 't, langs woning, hoeve en tuin, Daar 't, langs vruchtbre klavervelden, Strekt naar 't nedrig Amstelveen; Trok het zwerk niet noordwaards heen, Zo geen wolken regen spelden.
Hoe bevallig zien wy 't licht Hier door 't watrig wolkfloers spelen, Ginds min luisters mededeelen, Daar de buijen, blaauw en digt, Zwanger gaan van koele droppen! Wolken! stort uw dropjes uit, Over boomen, over kruid, Over bladen, bloemen, knoppen. Koelt, ai! koelt den zonnebrand. Maar men roept om 't zeil te stryken. Laat ons 't zomervlaagje ontwyken: 'k Stap in Ouderkerk aan land.
Cookies on Poetry Cove