Skip to content
1869

Madelieven

Nicolaas Beets

III.

De Drenkelinge.

Weer zoo'n beklaaglijke, Die bij een korten dood 't Haar onverdraaglijke Leven ontvlood!

Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht! Wees met haar jeugd begaan; Eer haar geslacht. Zie toch dit bleek gelaat! Zie hoe dit nat gewaad Kleeft om die fijne leest; Wat moet ze, in blijder staat, Schoon zijn geweest! Hoor naar een zacht gevoel, En draag haar daadlijk Weg uit dit druk gewoel, - Liefdrijk, niet smaadlijk.

Zie haar niet toornig aan; Blijf niet koelbloedig. Wijd haar een stillen traan, Menschlijk, zachtmoedig. Denk aan haar zonde niet, Haar misdaad, zoo rauw! Al wat gij in haar ziet Zij thans - de vrouw.

Vorsch niet nauwkeurig uit, Wat toch maar treurig luidt; Wien zou het baten? 't Leelijke - zwijg er van. Niets heeft de dood haar dan 't Schoone gelaten.

Wat zij geweest zijn moog? Och, laat het glippen! Wisch deze wangen droog, 't Slijk van die lippen. Strijk haar het haar van 't oog, ('t Weelderig haar,

't Schoonste dat ge immer zaagt,) Daar elk nieuwsgierig vraagt, Wie? en: Van waar?

Wie was haar vader? Wie was haar moeder? Had zij een zuster? Zuster of broeder? Was, door een andren band, Niet nog een teerder hand Haar ten behoeder?

O Het is waard beschreid, Dat ge, in zoo trotsch een tijd, Echter zoo zeldzaam zijt, Menschlievendheid! In deze groote stad, Op haar paleizen prat, Wonder der aard! Vond zij (verantwoord dat!) Geen huis of haard.

Ach, hier verloochende 't Allesvermogende Zusterlijk, broederlijk, Vaderlijk, moederlijk Hart zich geheel. Smaad was haar deel. Liefde nam wat zij gaf, Keerde zich toornig af. Vromigheid schudde 't hoofd Bij haar rampzalig lot, Zelfs van den troost van God Bleef zij beroofd.

Waar der lantaarnen gloed Trilde op den breeden vloed, En licht bij licht (Blijden een blij gezicht) Flikkerde laag en hoog, Stond zij met somber oog, Staarde zij stijf en strak, En - had geen dak!

Rillend; van vrees niet, neen! Rillend van koude alleen,

Rillend van top tot teen, In dezen guren, Barren novembernacht, Hield ze op de brug de wacht, Stond zij te turen Over de leuning heen, Waar, voor haar oogen, In donkre bogen De stroom verdween. Dol van des levens pijn, Dorstende om niet te zijn, Verbijstring ten buit; Inwendig gedreven,.... Waarheen? Om het even! Ergens heen, ergens heen, Dit leven uit!

Eén sprong - Ze is verdwenen. De kille rivier Rolt over haar henen.

Lichtmissen! nadert hier; Ziet wat gij doet.

Ziet wat hier nederplompt, Zinkt en weer bovenkomt, Wegzinkt voor goed. Hebt gij dan nog den moed, Drinkt weer uit, baadt weer in, Pleegt weer verboden min, Speelt in dien vloed.

Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht; Wees met haar jeugd begaan; Eer haar geslacht.

Schik nu die leden, IJskoude leden, Eer zij verstijven, Zoo als betaamlijk is, Zoo als het deerenis, Zoo als het liefde doet..... Wel! Laat ze blijven! Zoo ligt zij goed.

Druk nu die oogen dicht, Starende zonder licht, Vreeselijk starende, Ieder vervarende, Als met dien laatsten blik, Die, met vertwijfeling, Dood en vernietiging, Oordeelsdag, helschen schrik Woest onder de oogen zag, Zag en niet zag!

Koelbloedig bedorvene, Wreedaardig verachte, Ellendig gestorvene, Wat of u wachte!

Als of zij bade Tot God om genade, Als of zij nog hopen dorst: Leg op haar doode borst Ootmoedig te zamen

Die handjes zoo zacht en teer. Is hier groot kwaad geschied, Ons voegt het oordeel niet; Aan U verblijft het, Heer! Amen. Ja, amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Madelieven · Nicolaas Beets · Poetry Cove