I.
Het Lied van het Hemd
Met vingertoppen, ruw en wreed, Met oogen, dik en rood, Zat daar een vrouw, in 't voddenkleed Te naaien voor haar brood. Piek, piek, piek! Van honger en kommer half ziek, Door leed verteerd, door zorg beklemd, Zong zij het ‘Lied van 't Hemd.’
‘Piek, piek, piek! Van 't eerste gekraai van den haan. Piek, piek, piek! Tot de zon is ondergegaan. Een heiden en turk is er beter aan toe, Die niet weet waarvoor hij leeft, Dan een christenmensch, bij het werk dat ik doe, Die een ziel te verliezen heeft.
Piek, piek, piek! 't Wordt mij geel en groen voor 't gezicht. Piek, piek, piek! Mijn oogen vallen dicht. Zoom en oksel en strook; Strook en oksel en zoom; Totdat ik in slaap val over een knoop, En hem aanzet in den droom.
Gij jonkman, die naar uw liefje vrijt! Gij man, met uw wijfje in uw schik! Het is geen linnen dat gij verslijt, Maar arme schepsels als ik.
Een naad, en weer een naad; En naad, en weer een naad; Voor wien is wel deze bestemd? Geloof mij, ik naai, met een dubbelen draad, Mijn lijkkleed, en uw hemd.
Wat geef ik om den dood, Hoe aaklig en naar hij ook zij? Voor dat magere spook is mijn vrees niet groot; Het heeft te veel van mij; Het heeft te veel van mij; Van mij, die door vasten mijn krachten sloop - Och dat ook het brood zoo duur moet zijn, En vleesch en bloed zoo goedkoop!
Ik piek maar al wat ik kan! Mijn werk is nooit ten end. Mijn loon? Een korst brood, een bos stroo, en dan Dit mooie equipement! Een tochtig dak, een naakte vloer, Een stoel en tafel, dat's al! Zoo kaal een muur, dat ik snak naar het uur, Waarin er mijn schaduw op vall'!
Piek, piek, piek! Van uur tot uur, dat daar slaat. Piek, piek, piek! Als in 't werkhuis de boef voor zijn kwaad. Zoom, en oksel, en strook; Strook en oksel en zoom; Tot ik wee word om 't hart, en versufd in mijn hoofd, En ik zelf niet weet hoe 'k er koom.
Piek, piek, piek! In den donkeren tijd om nieuwjaar. Piek, piek, piek! Als de hemel zoo blauw wordt en klaar. Als, tusschen de pannen, de zwaluw in- en uitvliegt keer op keer, En mij vraagt of ik haar niet gelukkig vin- de, en mij tergt met het mooie weer.
Och of ik de groene wei Nog eens zien mocht, gelijk in mijn jeugd, En ruiken de dorens, de dorens van Mei, Waar de geur mij haast niet meer van heugt! Wel dwaas dat ik er naar taal!
Wel dwaas dat ik er naar taal! Als wist ik met wat gebrek lijden hiet, En een loopje gekocht voor een maal!
Maar toch, één uurtje van rust - Zoo dat mij te beurte viel! Niet om te gaan denken aan hoop of lust, Maar aan mijn arme ziel; Maar aan mijn grootste smart! Ach! een weinig te schreien waar goed voor mijn hart! Gelukkig zoo ik 't mocht! Maar aan naald en draad doet het niet dan kwaad; - Blijf weg dan, schaadlijk vocht!’
Met vingertoppen, ruw en wreed, Met oogen, dik en rood, Zat daar een vrouw, in 't voddenkleed, Te naaien voor haar brood. Piek, piek, piek! Door honger en kommer half ziek, Door leed verteerd, door zorg beklemd, Maar op een toon zoo hoog, (Och dat het de rijken bereiken moog!) Zong zij dit ‘Lied van 't Hemd.’
Cookies on Poetry Cove