II.
Uw koning middlerwijl volbrengt Zijn zegetochten ongekrenkt, En gaat van oost tot westen Zijn vrederijksthroon vesten.
Verwerpt het kroost van Abraham Den leeuwenwelp uit Judaas stam: De heiden zal hem kroonen... Uit steenen Abrams zonen!
Houdt Jakobs dolend huisgezin Zijn plechtige hozanna's in: In honderd nieuwe talen Hoort hy zijn lof herhalen.
Verdort het oostersch palmenblad Daar 't zich terughoudt van zijn pad: Het noord noopt pijn en eiken Hem duurzaam loof te reiken.
Het westen, door geen zee gestuit, Rekt voor dien vorst zijn grenzen uit, Wien 't aangename zuiden Begroet met bloem en kruiden.
Wat nood dan, koning! al veracht U 't muitend Isrel, de aarde wacht. Reeds hoort gy, dezer dagen, De grieken naar u vragen.
Wisch van uw stralende gelaat Dien traan, die in uw oogen staat: Het wederhoorig harte Verdient geen zulke smarte.
Laat, daar gy tot een kampstrijd trekt, Die heel een wareld heil verstrekt, Het oog van uw getrouwen Een blij gelaat aanschouwen.
Geniet de hulde, die u wacht Van heel het menschelijk geslacht; Maar spil geen kostbre tranen Aan trouwlooze onderdanen.
Is niet de grond, dien gy betreedt, Tot drinken van uw bloed gereed? En zoudt gy dien besproeien Met tranen?... Maar zy vloeien.
Zy blijven vloeien.... Moordnaarskrocht! Voor u dit godlijk tranenvocht, Volk, dat hem trapt op 't harte! Voor u, voor u dees smarte.
Hy weet wat ijsselijke nacht Hem in dit dal des Kedrons wacht, Wat perskuip hy gaat treden, Na dit bedrieglijk heden.
Hy weet wat strijd, wat heete strijd, Hem tot der volken koning wijdt; Hy weet in welke plassen Hy zijn gewaad moet wasschen;
Hy weet, uw koning hoog geloofd, Aan welk een doop hy 't buigend hoofd En 't krimpend lijf moet leenen: Maar dit doet hem niet weenen.
U geldt zijn droefheid, u alleen, O Israël, zijn vleesch en been, Niets kan in west of oosten Hem van uw afval troosten.
Geen grieksche aanbidding, eer, en lof, Geen adelaren in het stof, Geen aangegroeide scharen Vertederde barbaren;
Geen uitgestoken heidenhand Uit Mitzraïem of Moorenland; Geen bloeiende woestijnen, Waarop zijn licht gaat schijnen;
Geen héerschappy van vloed tot vloed, Geen nieuwe wareld, aan zijn voet Met schatten neergebogen, Kan deze tranen droogen.
Ach Sion! dat, op dees uw dag, 't Zoo lang afkeerig oog nog zag Wat tot uw vrede diende, Die koningstranen ziende!
Ach, dat gy 't onheil wenden mocht, Zich spieglende in dat tranenvocht! Ach, dat gy mocht bezwijken Voor zulke liefdeblijken!
Dat de uitgebreide vleugelschaauw U nog mocht bergen voor den klaauw Des giers, die uit den hoogen U reeds verslindt met de oogen.
Hoe menigmaal, Jeruzalem! Heeft u des konings zachte stem Gezocht byeen te gaderen... Ach, dat gy nog kost naderen!
Gy wendt u af; gy blijft verhard; Maar van zijn koninklijke smart Zal 't oog der volken leeken, Tot eens u 't hart zal breken.
Cookies on Poetry Cove