III.
En eenmaal breekt het. Eindlijk zullen,
Naar Gods bestel,
Ook uwe tijden zich vervullen,
O Israël!
Ook gy zult tot uw koning naderen,
Ook gy aanbidden aan zijn voet,
Hem kennende als de Hoop der Vaderen,
Die al uw jamm'ren enden doet.
De olijfstam zal, voor vreemde twijgen
Hem ingegrift,
Zijn sap in eigen hout doen stijgen,
Met nieuwe drift.
Het aaklig dal, waar 't doodsgebeente
Verstrooid, verdord, verworpen ligt,
Zich met een levende gemeente
Bevolken voor Gods aangezicht.
En alle volkren, alle tongen,
Zoo verre en wijd
De lof diens konings wordt gezongen,
Wiens vleesch en been gy immers zijt!
Zy zullen zich om u verdringen,
En blijde en luid
Het groote Hallelujah zingen,
Dat op uw groot Hozanna sluit.