XIX.
Dan Machteld zat als zonder leven: Een schoone doode; pijnlijk schoon! Maar, als door hooger geest gedreven, Riep ze eensklaps uit op kalmen toon: ‘Wy hebben onbewust misdreven: De Heere, Guy! kan òns vergeven.’
‘“U? mooglijk Machteld! maar verstond Gy geen der woorden uit mijn mond? Ik, ziet gy, moet verdoemd zijn, ik Moest vallen in dien helschen strik. Ik heb der Geest weêrstaan; toen is Den boozen Vorst der Duisternis Deze almacht over my gegeven, En hem, hem kàn ik niet weêrstreven. Ik hinkte op twee gedachten. 'k Dorst De stem der roeping in mijn borst Ten halve eerst volgen, eindlijk smooren! My was de Kerk als Bruid beschoren; Ik heb die Bruid veracht: welnu! Ik kreeg een andre Bruid, in U; Ik had mijn wensch, - ik ga verloren!
Zoo vangt de Duivel d'Uitverkoren! Voor u, waardeer dien zegen wel! U blijven boeten en gebeden, U pelgrimstocht en kloostercel, Maar ik heb alle troost vertreden, Voor my niets anders - dan de Hel!
Wel heugt my die gevloekte dag, Toen ik gestraft werd voor mijn zonden; Toen ik met u voor 't outer lag, En we ons te saam in d'echt verbonden: De zon verspreidde een waatrig licht; De sneeuwvlok stoof ons in 't gezicht; De wind, als wy 't portaal inkwamen, Zoog achter ons de kerkdeur dicht, - Wat rammelden die vensterramen! Hoe zalig, hoe verrukt ik scheen, Het was my, by ons binnentreden, Toch eensklaps of wy zwaar misdeden, Het hart kromp my van schrik inëen. Ook waren we in die kerk alléén. Een ander voert, met vlugge schreden, Een magen- en gespelen-stoet Den knecht des Heeren te gemoet,
Geen mensch mocht onze zij bekleden: Ons huwlijk had mijn naam bevlekt, Mijn Moeders gramschap opgewekt, En nu - wy wéten 't nu - met reden, Schoon voor haar zelf dan ook bedekt. 't Was of het waslicht niet wou branden; De choorknaap (weet gy 't?) kwam te laat; Scheef zat des Priesters plechtgewaad; De trouwring viel hem uit de handen; - 'k Zag al die wenken, my voor 't laatst Nog door mijn goeden geest gegeven; Maar 'k werd tot voortgaan aangedreven: De Duivel had mijn hart verdwaasd. Nog toen ik u mijn rechter gaf, Ging my een huivring door de leden, Als waar die plechtigheid me een straf: Ik hoorde niet naar 's Priesters reden. Ik dacht.... aan dingen van 't voorleden, Die niet behóórden by dat feest; Op 't laatst - ik zag mijn Vaders geest My fronsend, dreigend tegentreden; Juist sprak de Priester 't amen uit; En ik trok henen met - mijn.... Bruid; Mijn vonnis was volbracht, en ik
Rampzalig sints dien oogenblik....”’
Cookies on Poetry Cove