Skip to content
1837

Guy de Vlaming

Nicolaas Beets

XVIII.

Maar plotsling voor haar stilgestaan, Zag hy zijn egâ toornig aan, En sprak op schorren toon, die van Lang zwijgen blijk gaf: ‘“Andwoord dan!”’

Ze ontwaakte: ‘Wat?’

‘“Wat? Vroeg ik niet Wat op uw bruidsdag zij geschied?”’

‘Mijn bruidsdag?’

‘“Gy vergat misschien!

Gy hebt een vreemde Vrouw gezien?”’

‘Des vroegen morgens, - een Heidin; Zy drong zich onze woning in....’

‘“En wat heeft ze u gezegd?”’

‘Zy sprak - Maar 'k sloeg een kruis; 'k geloofde niet; Geen Heiden, die 't verborgen ziet! - ‘“Uw huwlijk is vervloekt.”’ Zy brak Twee rozen van een zelfde tak; Zy bracht de bloemen tot elkander, En zy ontblaârde de een met de ander, Toen blies zy in de losse blaân; ‘“Zoo zal het u en hem vergaan! Gedenk aan Maraas woorden....”’

‘“Zy?”’....

‘Verdween.’

‘“En dit verzweegt ge my?”’

‘O, Ik wist beter! wist ik niet Dat de Almacht op ons nederziet; Dat reine liefde ons hart verbond; Dat God de Heer zijn zegen zond; En wat gemaal my had gekozen?’....

‘“Neen! dat, rampzaalge! wist gy niet! O Duidlijk teeken van de rozen! Wil Machteld zien wat dat bediedt?”’

Hy wees, met uitgestrekte hand, Haar naar den wand: ‘“Zie, Machteld! Zie, by 't licht der maan, Die beelt'nis aan!”’

‘Het is uw vader.’

‘“Ja, en de uwe! Verschrik niet, gil niet, sidder niet! Wat baat of men terugge gruwe, Als men zijn vonnis voor zich ziet?”’

Zy zag hem aan met strak gezicht: ‘En van waar kwam u dit bericht?’

‘“Van haar, die van een zelfden tak De twee vervloekte Rozen brak. Rampzalige! voor zeven weken, Kwam zy voor 't eerst in deze streken, En vergde my in 't beukenwoud Een onderhoud. Uw Moeder, - sprak zy, - is gestorven; 'k Ben half ontslagen van een eed, Die my tot nog toe zwijgen deed, Wat u en Machteld heeft verdorven. Uw Egade is uw Vaders kind; - Hy heeft een Vlaamsche maagd bemind; Zy stierf in 't kraambed voor mijn oogen; Ik legde 't wicht te vondling; 'k zag Het wel verzorgd den andren dag, En ben uit Vlaandren weggetogen. Na achttien jaren kom 'k weêrom, En vind u Machtelds Bruidegom. Maar 'k had uw vader d'eed gezworen, - En 'k was uw vader dier verplicht, Hy redde my van 't veemgericht, Dat nooit uw moeder dit zou hooren, Noch iemand hier op aarde; 'k acht Een eed - hoe dier - van weinig kracht,

Omdat ik niets voor heilig reken, Maar 'k wilde eens dezen eed niet breken! Toch heb 'k uw Bruid gewaarschuwd; zy Sloeg, (vrome!) geen geloof aan my; En als de Zuster zóó de Broeder. Maar zie uw Vaders ring tot pand Der waarheid; 'k trok hem van de hand Van Machtelds vroeg gestorven moeder; Ik droeg hem over zee en land! Thands wil 'k en moet dit huwlijk breken, Ik keer terug na zeven weken, En zoo ge uw zuster nog verzweegt, Wat schuld op uw geweten weegt, Zoo zal ik zelve tot haar spreken!

Welnu! straks koomt zy! Vijftig dagen Heb ik in wanhoop doorgebracht, Doch 'k heb uit deernis nog gewacht, U eerder voor mijn oog te dagen.... Maar zy zal hier zijn - heden nacht! Hoe zullen wy haar blik verdragen? Thands weet gy alles, - uw geslacht, Uw schuld, uw gruwel, onze schande! Ha! hoe zal 't klinken door den lande,

Tenzij we - als onze Vader deed - Dit vrouwmensch beedlen om een eed. Het is verschriklijk. Machteld! waren Ooit zondaars zondiger dan wy? Sta my zoo dom niet aan te staren! Maar andwoord, andwoord, vonnis my! O Laat my, in dees helsche stonde, Niet met mijn wanhoop dus alleen! Spreek! gy hebt aandeel in de zonde; Gevoelt gy al haar schriklijkheên! Spreek! gil als ik: wy zijn verloren! Roep al uw siddrend' afkeer uit! 'k Omarmde een zuster in een bruid; Moet ik dan alles u doen hooren? Gy slaapt! op zondares! ontwaak! Niet mijne alleen, 't is uwe zaak! Ik wil alleen niet langer spreken - Ik dorst naar woorden uit uw mond.... O Zwijg niet - andwoord! geef een teeken Van afschuw voor dit echtverbond!”’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Guy de Vlaming · Nicolaas Beets · Poetry Cove