Skip to content
1837

Guy de Vlaming

Nicolaas Beets

XVI.

Hy zweeg en trad de kamer door, En zag haar lang en peinzend aan, En lei der vrouw de Heilge Blaân, In 't afschrift der Vulgata, voor:

‘“hier staat het, Machteld! hier! Geschreven! Wisch my die lettren, zoo gy kunt! Ik heb een gruweldaad bedreven, Die ons geen uur van rust vergunt. De Heer zal ons verdoen, voor de oogen Der kindren onzes volks; zijn vloek Is op ons. Maak my dit ten logen! Wisch my die lettren uit dit boek! Ha! 'k heb, sints de eerste kinderdagen, Zijn woorden in mijn hart gedragen, En voor zijn outer neêrgeknield. 'k Heb, en van vrómen geest bezield, Gebiecht, gevast, geboet, gebeden, Den Duivel en mijn vleesch bestreden; Ik heb van wat de Kerk beval Geen enkle letter overtreden! De ketters haatte ik bovenal!

Ik heb, in négen Vlaamsche steden, Een zuivergouden kandelaar Doen zetten op het Hoogaltaar. 'k Heb, met ruw linnen om de leden, Geknield by 's Heilands dierbaar graf, En op Calvarië gebeden; En 'k lei den pelgrimstaf slechts af, Om 't slagzwaard aan de heup te gorden, Om schrik des Islamiets te worden, Der Mooren geessel, vloek en straf! En nu! - Dit alles zal niet baten. Ik heb het heilig pad verlaten. Ik ben gevallen, diep - ja! diep! Ik keerde me af waar God my riep, Ik heb gezondigd, boven máten! 'k Had me, op den steilen Libanon, Een naakte grotte moeten kiezen, En niet een enkel uur verliezen, Dat my den Heere heilgen kon. Ik had, de stinkende aard ontvloden, In boete, vaste en lichaamspijn, Den ouden Adam moeten dooden, Den Heilgen Geest deelachtig zijn! Ik had der wareld moeten sterven,

En Christus leven; àl mijn tijd Besteden tot den goeden strijd, Om eens de groote kroone te erven, Den Uitverkoornen weggeleid! Maar 'k heb - wie hoort het zonder beven? - 'k Heb op zoo groote zaligheid (Verworpeling) geen acht gegeven. 'k Was als de rijke jongeling, Die weenend van den Meester ging! Mijn heiligheid van vroeger dagen Is uitgewischt en weggedaan, - 'k Ben op mijn pad niet voortgegaan, 'k Heb Christus 't kruis niet nagedragen; Ik ben by die van verre staan. Ik was het, die met 't zwaard zou slaan, En zóó lafhartig rugwaart, deinsde, - Voor my ook kraaide de uchtendhaan, Maar vond berouw noch boetetraan - O, Fariseër! o, Geveinsde! O, Valsche, huichlende Apostaat! Gy werd gedoemd tot erger kwaad! 'k Moest daarom, dáárom, wederkeeren, U zien - God, u! - en u begeeren! Omdat ik afweek van mijn pad,

Moest my mijn vleesch geheel verderven, Mijn ziel bevlekt zijn met een klad, Die nooit vergifnis zou verwerven. Ik die den Geest kon, dorst weêrstaan, Moest - en zijns ondanks - tot de horden Des Satans opgeschreven worden, - Uw oogen.... Zie my zoo niet aan! Noch ween! - Gy zondigt met die traan; Gy schreit slechts om uw lot en 't mijne; Gy weent niet om uw zonden; nu! Alleen die tranen voegen u, Maar dat alle andre rouw verdwijne! Uwe oogen, zegge ik, hebben my Doen vallen, doen verzinken; gy Hebt my verstrikt door toovery.... Ik minde u, om uw vroomheid - 't zij! Ook zulke liefde was misdadig! Want alle liefde was ons dood En hel! - Vrouw! onze schuld is groot - O God! wees harer ziel genadig!”’....

‘Helaas! dat ik u vallen deed, Dat ge om mijn liefde gaat verloren, Dat is wèl schriklijk om te hooren,

Dat is wèl schriklijk, Guy! en wreed! Maar 't zij zoo; schoon ik nog niet weet Wat zonde of misdaad daar kon steken In reine min voor u te kweeken, Zoo één - ik was het die misdeed. Doch met wat naam ze uw Godsvrucht heet, Die zonde kan my niet berouwen, Noch doet my vreezen; de Almacht weet Wat liefde is voor het hart der vrouwen! Welnu; ik draag de schuld alléén; Ik kan, ik wil, ik moet ze dragen; Werp ze op my - en verlaat my! Neen, 'k Ontroof geen uwer levensdagen Den Heere. 'k Sta aan Hem u af; 'k Wil my van 't offer niet beklagen; Ik bid slechts een vroegtijdig graf. Gy - immers is 't nog tijd van boeten? - Gy, vraag den Heilgen Vader wat Uw misdaad zal verzoenen moeten, En keer terug op 't heilig pad. De Heer, van wien ge u af moest wenden Om my rampzalige aan te zien, Zal u nog eens den Trooster zenden, En onbekrompener misschien!

Zoo gy een gruwel hebt bedreven Door Machteld lief te hebben, - haat Veracht, - vervloek haar heel uw leven.... - Neen.... Neen, vergeet haar -’

‘“'t Is te laat.”’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Guy de Vlaming · Nicolaas Beets · Poetry Cove