Skip to content
1837

Guy de Vlaming

Nicolaas Beets

XII.

Maar zoo gy in dees kouden tijd By 't ongeloof van onze dagen, Geen twijfelaar aan alles zijt, Wat ooit den pols met voller slagen Doet kloppen en het hart verblijdt! Of zoo u ooit de Ervaring streelde, Hoe teêr, hoe innig, hoe getrouw, De liefde zijn kan in een vrouw, Dan zal de erinring zulker weelde U doen beseffen hoe de smart Thands knagen moest aan Machtelds hart. Zie! de onrust, die dat hart verteerde, Was als haar teedre liefde groot, Zy stierf een duizendvouden dood; Den dood slechts niet dien zy begeerde. Maar zóó geloovig was haar min, - Ofschoon een maalstroom van gedachten Haar duizlen deed by dag en nachten, -

Daar sloop geen argwaan tot haar in! Geen achterdocht, geen kwaad verdenken Van hem, die haar toch wreed verliet; - Neen, zy begreep zijn opzet niet, Maar 't kon haar trouw geen hairbreed krenken! ‘Eens!’ - dacht zy - ‘eens! - het ga hoe 't ga, Eens zal de Dierbre zich verklaren, Eens moet zich 't raadsel openbaren, Maar, Hemel! zij het niet te spâ! Mijn kracht begeeft me, zal me ontzinken, 'k Wil sterven, 'k zal 't, en ras misschien! Maar laat my eens hem wederzien, Dan wil 'k, o dood! uw beker drinken: - Doch Heere! laat uw wil geschiên!’ Vaak sloop zy naar den kleinen toren, Den toren boven de oosterzaal, Om daar den voetstap maar te hooren Van haar onzichtbaren gemaal. En dikwijls lag zy gantsche nachten Geknield en bad met luider stem, Soms voor zich-zelv', maar meest voor hem, Het middenpunt van haar gedachten. Dus bad ze ook heden, 't weenend oog Op 't zilvren crucifix geslagen: ‘Heer! geef my kracht mijn kruis te dragen,

Hoe zwaar 't my arme vallen moog!’...

Daar treedt de Dienaar voor haar oogen; ‘Wat brengt gy, Wolfert! kwaad of goed? Gy schijnt ontsteld - spreek uit - schep moed! Wat zou my meer verschrikken mogen? Uw Heer....’ ‘“Hy laat -”’ ‘My roepen?’ ‘“Ja.”’ ‘Terstond?’ ‘“Hy eischt u daadlijk.”’ ‘'k Ga.’

Neen! in haar zetel zonk zy neder, Bedekte 't aanzicht, weende luid: ‘Helaas!... ik - durf niet!’ snikte ze uit; Maar ras verhief de Vrouw zich weder. Gesterkt rees ze en met waardigheid Van d'eiken zetel, wischte de oogen, En sprak bedaard en onbewogen: ‘Wèl; licht my vóór; ik ben bereid.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Guy de Vlaming · Nicolaas Beets · Poetry Cove