III.
Toen 'k by den armen bouwval stond,
Die tot herinring is gebleven
Van wat toch groot was en verheven,
Toen deelde ik met een geit den grond,
Die 't lover van een vlierboom plukte,
Wiens kranke kruin ter aarde bukte;...
Geslachten! die uw wapenschild
Met hooge borst ten hemel tilt,
Door arendsneb of leeuwenklaauwen,
Of reuzenvuisten vastgehouën,
Waar vloog de zilvren Leeuwrik heen,
Daar Poelgeest meê in 't veld verscheen?
Wiens onbeschroomde vinger wischte er
Zijn naam uit Hollands breed register?
Geduchten! die paleizen bouwt!
Gaat tot dien bouwval en aanschouwt!