Geschiedenis van het huis en geslacht Poelgeest. Kuser, bl. 72.‘De Poelgeesten,’ zeide ik, in mijne Aanteekeningen op Kuser, ‘bezaten meer dan één aanzienlijk Goed in het Graafschap; als in de eerste plaats Oud-Poelgeest,
ook wel 't Huis te Alkemade geheten, een zeer oud huis, waarvan omtrent den jare 800, in de lijst der goederen van St. Maartenskerk te Utrecht, reeds melding wordt gemaakt, en in Rhijnland niet verre van 't dorp Oegstgeest gelegen.’ Ik weet niet welke verbijstering my heeft doen vergeten by die vermelding den grooten Boerhave te gedenken, die op dat aloud goed een groot gedeelte van zijn nuttig leven gesleten heeftNa 's mans overlijden kwam het op den Graaf Frederik Thoms, als gehuwd zijnde met des Hoogleeraars eenige dochter Maria Boerhave. Boerhave zelf had er een Hortus Botanicus.; eene byzonderheid, die het in de oogen der Hollandsche natie belangrijker maken moet dan deszelfs hooge oudheid, en aan welke de Leydsche Gemeente gerechte eer doet weêrvaren door het even zoo dikwijls naar den naam des grooten Geneesheers als naar dien van deszelfs eersten bezitter te noemen. Het Lager- of Neder-Huis van Poelgeest, ook Klein-Poelgeest geheten, en sedert het midden der twaalfde eeuw de eigenlijke woonplaats van dat geslacht, lag bezuiden Koudekerk, aan de lage zijde des RhynsIn den zoogenaamden Lagen waard; waartegen de Hooge waard (Hooge woerd), d.i. de hooge zijde des Rhyns, overstaat. Men weet hoe de Hooge woerd bebouwd en aan Leyden getrokken is (1389), waarvan hy thands een groot en vervelend gedeelte uitmaakt. - Waard, weerd, woerd, Friesch wert (Leouwert, Boalswert, enz.), Ang. Sax. vvorth, vveorth, beteekent een eiland in een stroom (zoo als 't Hoogd. werder); tweede beteekenis: akker, bedijkt land; eindelijk borstweer., en werd eertijds het huis HoorneMen kent in den Lagen waard nog een brug, die den naam Hoornbrugdraagt. genoemd, naar de familie van dien naam. Het is de geschiedenis dézer Adelijke Huizinge waarvan wy in het Praeludium
voor onzen Guy de Vlaming eenige byzonderheden hebben aangevoerd, en die wy het der moeite waard rekenden, hier eenigzins uitvoeriger en naauwkeuriger meê te deelen. Batavia Illustrata. bl. 1050.De eerste Poelgeest, waarvan wy op de lijst der Hollandsche Edelen gewag gemaakt vinden, was: gerrit, een Ridder aan het hof van Graaf dirk VI. sedert 1150 bekend. Beschr. van Alphen. bl. 126.Van hem lezen wy by Plemper dat hy het huis Hoorne bezat. Koning Willem beschonk in 1252, dirk van Poelgeest den toenmaligen eigenaar, van Oud- en Klein-Poelgeest met de Heerlijkheid van Hoogmade, en diens zoon, mede dirk geheten, kocht er in 1331, Beschr. van Alphen. bl. 129. Batav. Ill. l.l.naar Plempers opgave, de Heerlijkheid van Koudekerk by. Van Leeuwen komt hier met Plemper niet overeen. Hy geeft namelijk op dat Klein-Poelgeest toen eerst door Dirk gebouwd zou zijn. Mogelijk echter zijn beiden dùs overeen te brengen, dat Dirk in stede van het oude huis Hoorne, een nieuw slot zetten deed, en dit naar zijn geslacht vernoemde. Alkemade's opgave is weder anders. Jonker, Fransen oorlog. bl. 219.Volgends zijn bericht was de Heerlijkheid van Koudekerk almede een geschenk, door Graaf Willem van Henegouwen, ‘met eenige hooge geregtigheden,’ aan 't geslacht Poelgeest verleend, ‘waarom ze’ - zegt hy - ‘hun oude Stamhuis in Oestgeest gelegen verlieten, en alhier ter bezittinge van hun nieuwe heerlijkheden met 'er woon kwamen. Zedert is dit slot’ (hy noemt het hooger ‘een zwaar en sterk kasteel’) ‘zo van Naam als Heer verandert, en naar haren nieuwen Heer poelgeest genoemt.’ van Mieris, Handvesten enz. der stad Leyden, bl. 791.Wy vinden, dat. 18 February 1352, een Verdrag van Hertog Willem tot de overgave van het huis te Poelgeest,
‘mid Heren Gheryd van Poelgheest, ende mid sinen ghesellen, die mid hem 't huys tot Poelgheest ghehouden hebben,’ - waarby hem en de zijnen een veiligen aftocht met al zijn goed vergund wordt, maar waarby echter de Hertog ‘'t huus ende borch te Poelgheest mid den ambochte van Coudekerke, ende mid alle den goede dat hi daer binnen hevet,’ aan zich, tot zijnen wille, houdt. ‘Voert,’ heet het verder, ‘sal Heer Gherit - rumen alle onse Graefschappen, ende Heerscapen, enz. enz. Deze gerrit, was dirks zoon, en wordt omstreeks 1372 nog vermeld. Zijn eenigste broeder jan, Schildknaap, en Rentmeester van Zuidholland, schijnt het ouderlijk goed terugbekomen te hebben.l.l. 126. - Plemper zegt ‘dat hy het ledig huis bezat,’ en men zou dus daaruit kunnen opmaken dat hy 't niet bewoond heeft. De Poëzy heeft het anders gewild. Kuser, vs. 487-500.Hoe het zij, wy lezen van hem, dat hy tweemaal Jerusalem bereisdeAls pelgrim waarschijnlijk. Mijn gedicht (zie v. 125-127) plaatste hem aan het hoofd van een Ruitertroep. Ik weet echter niet in welken strijd dit zou hebben kunnen wezen; want de schildknaap zou meer dan eene eeuw oud moeten geworden zijn om nog éven, als jongeling, het einde van den allerlaatsten kruistocht (1291) te hebben bygewoond. Maar dit behoort tot de dichterlijke vrijheden. Immers heb ik den Schildknaap ook Ridder geslagen., en dat hy in den strijd tegen de Bovenlanders te Dordrecht, in den jare 1365, gevaarlijk werd gekwetst, maar het blijkt ons dat zijne wonde, ofschoon van Leeuwen, en alle zijne afschrijvers, ze ‘doodelijk’ noemen, echter niet ten doode geweest is. De schildknaap stierf in 1391. Gesch. des Vaderl. IV. D. bl. 3.Bilderdijk houdt het er voor, dat hy der Kabeljaauwsche party niet ongenegen is geweest, en Aleides gedrag
aan 't Hof van Aalbrecht doet dit vermoeden. Haar bescherming aan die factie verleend kan evenwel niets meer dan eene caprice geweest zijn, waarvoor de geschiedenis getuigt dat de schoone jonkvrouw zeer vatbaar wasHet is te vergeefs, zoo ik de fouten van Aleid van P. nog poog te bemantelen. De harde waarheid is tegen my. En daarenboven! De zetter van ‘Kuser’ (zie de Aant. p. 72), dien ik van Hoeksche beginselen verdenke, geeft haar aan Aalbrechts hof een tamelijke positie, waar ik haar een betamelijke had toegedacht. De Heer J.E. Schut gaf in 't verleden jaar een Roman uit, waarin hy haar karakter met de zwartste verwen schildert. Een schrijver van verdichte verhalen kon edelmoediger jegens een jonge vrouw zijn. Maar zeker heeft zijn tafereel ‘by Hollands schoonen’ den zachten indruk uitgewischt, die ik my (Guy, vers 128-131) beroemde voor de beklagenswaardige te hebben teweeggebracht. Indedaad zoo haar peetemoei een geestelijke zuster was (Nonne ter Lee), zy schijnt er weinig van gehad te hebben.. Althands de Poelgeesten hadden, van het begin der twisten af, tot de Hoeksche familiën behoord (gelijk zy ook sedert die party bleven aanhangen)Brederode, Binkhorst, Boekhorst, Duivenvoorde, Heemstede, Merensteyn, Polanen, Poelgeest, Wassenaar en anderen waren Hoeksche familiën; tot de Kabeljaauwschen behoorden: Egmond, Arkel, Heemskerk, Waterland, Molenaar, Kuilenburg enz. Zie Wagenaar, Vad. Hist.. III. p. 280., en zijn vader was als handelend aanklever derzelve gebannen. Jan van Poelgeest liet behalve zijne dochter Aleide (zijn oudste kind, twee jaren na zijn dood vermoord) vier zonen na: Gerrit, Willem, Jan en Jacob van P. Het blijkt niet dat een hunner het huis op den duur bewoond heeft. Ook bleven de drie oudsten allen ongehuwd; de jongste alleen trouwde, maar waarschijnlijk later; en Plemper laat op het verhaal van 't vermoorden der schoone dochter van P. terstond de byzonderheid omtrent den Vlaamschen Edelman, op P. woonachtig, volgen. Stellen wy dan, om hem en myzelven te redden,
dat deze Vlaming een der spillemagen dier familie geweest zij, een collateraal, die by ontstentenis van een descendent het ledige slot betrok, om er eene treurige herinnering na te laten, en door zijn opvolger op een sombere wijze met rouwfloers en zwart fluweel te worden gehuldigd. De herinnering aan het treurig feit moet nog versch geweest zijn, toen Jan van Beiëren, broeder des Graven van Oostervant, de in de geschiedenis der wulpsche, maar al te ongelukkige Jacoba, wèlbekende Bisschop van Luik, het slot belegerde, stormenderhand innam, alles wat er op en gevangen was onthoofden liet en het in zijn puin begroef. - Guy de Vlaming, v. 1 en verv.Wie was de toenmalige bezitter? gerrit, Jan van Poelgeests oudste zoon (1420). (Althands de genealogie van v. Leeuwen geeft geen anderen Gerrit in dat tijdvak op.) Zie hier de geschiedenis. Aan het verbond van verdediging tegen Jan van Beiëren, op den 15den April 1420, tusschen den Bisschop van Utrecht, Jonkheer Willem van Brederode, Filip van Wassenaar, Burggraaf van Leyden, Jan, Burggraaf van Montfoort, Heer Jan van Heemstede en de steden Leyden, Utrecht, en Amersfoort, had ook de schildknaap Gerrit van Poelgeest deel genomen. Meerman, Verovering van Leyden in 1440. Bylagen, bl. 273. en volgg. Mag. Chronicon Belg. p. 340.Men had de vermetelheid den der Kerk afvalligen Bisschop, nu met den Graventitel pronkende, den oorlog te verklaren, zonder in staat te zijn dien met goeden uitslag te voeren (28 April). Men haastte zich de Kabeljaauwsche sloten Zuik en Raaphorst te vernielen, 't slot Rhynenburg te bemachtigen, en den Rhynkant met plondering en geweld te verontrusten. De Heerschzuchtige verzamelt volk te Gouda, en de Hoekschen pogen hem tot een veldslag uit te lokken. Maar hy wendt zich met een talrijk leger naar Leyden, waarin
men in der ijl een bezetting van vier- of vijfhonderd man legt. Hy sloeg er in Juny het beleg om. Na eene worsteling van negen weken geeft zich de stad op nadeelige voorwaarden over. Zy betaalde eene boete van 18000 Wilhelmus Hollandsche schilden; de Burggraaf van Leyden staat zijn titel af. Maar noch goud, noch veroodmoediging vermocht de verwoesting te herstellen van beide kanten in Rhynland aangericht. Poelgeest, ter Does, Zijl en de sloten te Warmond en Paddepoel (aan Wassenaar toebehoorende) waren door 't leger des Hertogs vernield, en verscheidene Kabeljaauwsche kasteelen waren door de belegerden, in hunne gedurige uitvallen, bemachtigd en geslecht. - Onzalige twisten! Alras echter was het Huis, welks noodlottige geschiedenis wy verhalen, weder opgebouwd, maar om andermaal den Kabeljaauwschen haat ten doel te staan. (1489.) Keizer Maximiliaan had den heirvaart tegen Rotterdam gepredikt, en Amsterdam had er bereids de keizerlijke kroon boven 't stadswapen aan te danken. Men slaagde niet. Het voordeel was gedurig aan de zijde der Hoeksche Edelen, met Frans van Brederode aan het hoofd. De Jonker Fransen oorlog is bekend. De voorgenomen overrompeling van Rotterdam door Jan van Egmond, zoo ijverig als Stadhouder van wege den Keizer, als trotsch op den pasverworven GravenrangIn 't jaar 1486 had de Keizer hem dien rang met openen brief geschonken., was mislukt (Juny 1489), en de Hoekschen durfden een aanslag tegen Leyden smeden. Jan van Montfoort en Jan van Naaldwijk kwamen (13 Juny) met duizend man voor de stad. Zy eischten 't slot Poelgeest op. Gerrit van
Poelgeest, Ridder en Heer van Homade, was er Heer en Slotvoogd van, en was door de Leydenaars ter bewaring dezer sterkte betaald, en van krijgsbehoeften voorzien. Maar zijn Hoeksch hart kwam boven, en hy ruimde 't kasteel zonder tegenweer aan Zweder van Montfoort in, die 't in allerijl bebolwerkte en versterkte en tot een roofnest maakte, uit hetwelk hy het platte land in 't rond kwellen mocht. Men had plan Leyden van den kant der Zijlpoort te bemachtigen. 't Branden van 't huis te Wadding zou het teeken tot den aanval zijn. De wal wordt door Montfoort en de zijnen beklommen; doch zy worden afgeslagen en trekken op Poelgeest terug. Maar Jan van Egmond belegert hen aldáár, en andermaal moet het slot den haat der twistende Edelen boeten. Guy de Vlaming, vs. 34.Het werd tot puin geschoten en daarna geslecht. gerrit van Poelgeest stierf in 1518, en werd te Koudekerk by zijne vooorouders begraven. Zijn zoon, ook gerrit (stierf 1549) geheeten, bouwde het weder op en leefde er tot zijn dood toe in ruste; waarna het huis van den eenen Gerrit op den anderen overging tot in het laatst der zeventiende eeuw, Ferwerda. Adelijk wapenboek, II. Gen: Merode.als wanneer Maria Albertine Ernestine, Gravin van Merode (Ittels dochter), douairière van den Heer Gerrit van die dagen, als Boedelhoudster en Voogdes van haar zoon, zich genoodzaakt zag de schulden van wijlen haren overledenen Echtgenoot door den verkoop zijner heerlijke goederen te dekken, waartoe zy ten Hove volmacht verzocht en verwierf. ‘Uit krachte van dien’ zegt Plemperl.l. bl. 129-131. - ‘werd de Hooge Heerlijkheid van Poelgeest en Koudekerk, d'Ambagtheerlijkheid en het huys te Poelgeest, met eene weere Lands van agtien mor-gens, op den 29. in bloeimaand Ao. 1692. by de voogden van Juffer Alida van Schellingwou, in de Kasteleiny van den Hove van Holland gekogt, betaald, aanvaard, en een jaar lang rustiglijk bezeten. De vrouw van Poelgeest had zig met er beide dogters te Halle, op den uithoek van Braband aan de Zeine, in een klooster begeven. Maar Heer Gerrit van Poelgeest de zoon smeet dien koop in 't war, ving over de Ambagtsheerlijkheid van Koudekerk een pleit aan, en verkreeg by den Hoogen Raade een Bewindsman om opzigt te hebben over alles, ten behoeve van de Geregtigden. Dit pleidooi bleef zo hangen; dog Alida Schellingwou getroud zijnde met Joan Willem Ripperda, Heer van Jenzema, deed zijn Ed. de schuldeischers van Poelgeest voor den Hove van Holland dagen, de wettige bezitting, of d'uitgeschootene gelden by haar luiden uit dien hoofde genoten, weerom eischende. Hy triomfeerde Ao. 1702, en partyen beriepen zig aan den Hoogen Raade, die haar Regters toeweezen om het geschil te slegten. Die 't zo verstonden, dat het beroep voor hunne Regtbank in staat zou blijven, tot dat het geding om d'Ambagtsheerlijkheid van Koudekerk was afgeloopen, onverminderd den eisch van Heer Ripperda in deezen. Dat werd bepleit; de stemmen, vijf tegen vijf, staken van den Hoogen Raade; die des geen uitspraak doende, zo keerde zich den Heere Ripperda aan de Staaten van Holland en Westvriesland, om vervolg van zijn regt, dat alsnog moet verwagt worden.’ (1714.) Ondertusschen stierf deze laatste gerrit van Poelgeest Ao. 1713, als Majoor der Ruitery, de krijgsdienst der Staten vol-gende. Hy werd te 's Hertogenbosch met zijne wapenen begraven, en het sints lang vervallene slot scheen rouw over zijn dood te dragen. Guy de Vlaming, vs. 58 en verv. Stierven er meer adelijke huizen aan de teering der procedure, of de geweldige dood des oorlogs? l.l. Pl. IV.Plemper geeft eene afbeelding van het slot, zoo als het zich in zijn tijd, in zijn bouwvalligheid vertoonde. 't Was een huis van onregelmatige bouworde, dat van een gedurige vernieuwing getuigde; eene kleine waterpoort, door twee lage torentjes geflankeerd, schijnt het oudste en tevens teekenachtigste gedeelte. Sedert echter is het Huis (leenroerig aan de Staten van Holland) weder opgebouwd en vernieuwd, en onderging alle de verandering die eene afwisseling van eigenaars te weeg brengt. Poelgeest (Klein). Toen Kok zijn Vaderlandsch Woordenboek schreef (1790) was het ‘zeer luisterrijk, zijnde een regelmatig vierkant, pronkende ter wederzijden met een fraai Paviljoen met leijen daken.’ Maar kort slechts duurde die luister, en òf nog altijd het oude proces, dat gedurig ingewikkelder worden moest, òf nieuwe twistgedingen, deden het weder vervallen en vergaan. Op het titelblad van dit werk ziet men de afbeelding van ‘den armen steenhoop, die tot herinring is gebleven,’ zoo als ik dien in den loop des verledenen jaars gezien heb. 't Zijn de twee torentjens en het poortjen daartusschen, die men op de plaat by Plemper ziet, met een klein gedeelte van het daar achter aan belendende. De ruïne levert een niet onaardig geheel op, zoo als zy zich met hare begroeide en gebrokkelde muren in het water spiegelt, waarboven het poortjen eenige voeten verheven is. Het uitgewischt wapenbord staat nog op den sluitsteen, en langs de kleine kolommen steekt uit de spleten van den muur
de knokige vlierboom zijne noodlottige takken uit. In de beide torentjens hingen nog de dikke, dubbele, bloedroode deuren. Het schenen gevangencellen geweest, en zy werden tot dat zelfde einde, nog by geheugenis van het tegenwoordig geslacht, door het bestuur van Koudekerk gebruikt. Akelige hokken, voorwaar! Een kil gewulf, een el in omtrek, en geen licht dan een enkele schemering, die door een kleine getraliede koekkoek binnen valt. Het op den grond gespreide, nog vrij versche stroo deed my vermoeden, dat door den nabywonenden boer hier nog wel eens aan dezen of genen zwerver een nachtverblijf wordt aangewezen. De fondamenten van het huis vormen een klein eiland met hakhout beplant. - Reeds zweeft de houweel des Sloopers boven het weinige dat van zijn vroegeren luister overschiet, om te vernielen zoo ras de hatelijke Procedure op zal houden te ondermijnen. Ziedaar de geschiedenis van dit Huis en dit Geslacht. Huizen en Geslachten hebben zich aan Poelgeest te spiegelen. Deszelfs bewoners behoorden gedurende vier eeuwen tot de Aanzienlijksten van Holland. Gedurig vermaagschapt aan de edelste familiën: de Wassenaars, de Leydens, de Doorniks, de Merodes; Heeren van Koudekerk, en Hoogmade; met ridderlijken glans bekleed; een rol spelende in de geschiedenis van het Graafschap; het burgermeesterlijk of raadsheerlijk kussen van Leyden drukkende; als Hoogheemraden in Rhynland de wet stellende; beurtelings gevreesd en geëerd, stierf dit edel geslacht in deszelfs laatsten stamhouder een krijgsmansdood, om honderd jaar later byna geheel te zijn vergeten. Batt. Ill. p. 1052.De Poelgeesten voerden, volgends van Leeuwen, drie zilveren Leeuwerikken en een gouden Balk (Fasce) op een azuren veld. Zoo vindt men het wapen in het
zegel, Meerman, l.c. op de acte van verbond tegen Jan van Beiëren (1420) met een Leeuwerik in 't cimier, en Leeuwen tot supports, op eene wapenkaart van Hoogheemraden enz. van Rhynland (1482); op het hek van de Pesthuislaan op den Leydschen Cingel, in steen gehouwen; en in blinkende verwen in de kerk te Gouda, op het zoogenaamde ‘glas van Rhynland.’ Mijn oudheidkundige vriend Mr. W.J.C. van Hasselt wil er geene Leeuwerikken maar Adelaars in zien. Ongetwijfeld maken de laatste meer figuur in de ‘nobele heraldica,’ maar de eerste zijn zeer zeker Hollandscher. Ik ben echter geneigd zijn gevoelen te deelen. Eindelijk. Wy geloven dat het publiek, waarvoor wy schrijven, nu reeds genoeg zal hebben van de Poelgeesten. Wy hadden anders nog menig dichterlijk verhaal omtrent deze familie op te disschen; als van eene maria, die, Abdisse van Rhynsburg, hare kerkgelofte brak ter liefde van een Jonkman (1572); van een Zeeroover, die eene andere dochter van dezen Huize een eeuw later wreedaartig bedroog; en nog een aantal familiebyzonderheden meer, nergens geboekt; maar wy scheiden hier van een geslacht, waarvoor wy, door onzen arbeid, zekere liefde hebben opgevat, en zoo wy onze lezers weder met een Verhaal komen lastig vallen, zullen wy eenen anderen greep gedaan hebben in den schat onzer Hollandsche Oudheden en Legenden.
Vers 723.Hier staat het, Machteld! hier! geschreven!
Levit. XX. 17. Qui acceperit sororem suam, filiam patris sui, vel filiam matris suae, et viderit turpitudi-nem ejus, illaque conspexerit fratris ignominiam: nefariam rem operati sunt: occidentur in conspectu populi sui, eo quod turpitudinem suam mutuo revelaverint, et portabunt iniquitatem suam.
Vers 749.Der Mooren geessel, vloek en straf!
Wy stellen ons Guy voor als hebbende, als zoo vele Nederlandsche Edelen (onder anderen Hertog Albrecht zelf), deel genomen aan den strijd in het Koningrijk Granada.
Vers 1008.Ik heb den Geest weêrstaan, enz.
Dit is eigenlijk het groote punt van Guy's dweepery. Hy verbeeldt zich de zonde tegen den H. Geest begaan te hebben, en nu naar ziel en lichaam den Duivel toe te behooren, die hem, als een eerst bewijs zijner helsche overmacht, dit huwelijk heeft doen aangaanIn den text is de drukfout ‘der geest’ voor ‘den geest’ my ontsnapt.. matth. XII. 32. Et quicumque dixerit verbum contra filium hominis, remittetur ei; qui autem dixerit contra spiritum sanctum, non remittetur ei neque in hoc seculo neque in futuro.
Vers 1157.‘Ook gy werdt dan krank, en ook gy ons gelijk.’
Isaiae XIV. 10. Universi respondebunt et dicent tibi: et tu vulneratus es sicut et nos, nostris similis effectus es. Detracta est ad inferos superbia tua, concidit cadaver tuum subter te sternetur tinea et operimentum tuum erunt vermes. Quomodo cecidisti de coelo lucifer, qui mane oriebaris? corruisti in terram qui vulnerabas gentes.
Cookies on Poetry Cove