XXIII.
Een vrouw zat neêr in de oosterzaal, Te wachten op den eersten straal, En doofde, by de schemering, Een lamp, die aan den zolder hing. Een grof en bruin gewaad, naar 't scheen, Eer voor een mannenleest gesneden, Omgaf de inëengedrongen leden, En hong in plooien naar beneên: Een kleine kap van vuurrood laken Sloot om haar lokken, kroes en zwart, En in wier schaâuw haar voorhoofd werd Verborgen en haar bruine kaken. Haar gitzwart oog scheen, enkel vlam, Van vreemd, van Oostersch vuur te gloren, En zilvren ringen in haar ooren, Verrieden den Boheemschen stam. 't Was Mara; - peinzend zat zy neder, Het oog op Machtelds lijk gericht; De bruine hand op 't wit gezicht, - En langzaam sprak ze en bykans teder: ‘Kind! uitgeblonken is uw licht! Geen balsems aller warelddeelen,
Geen kruiden van Egyptes grond, Geen talisman of toovervond, Vermogen zulk een diepen wond, Ooit dicht te sluiten of te heelen!’
Zy trad de kamer door; daar lag Een ander lichaam uitgestrekt, Maar met geen droppel bloeds bevlekt; Het was des Dweepers lijk; zy zag Zijn oog verdraaid, zijn mond verrukt, Zijn wenkbraauw pijnlijk saamgedrukt; En zonder dat een huivering Haar door de stoere leden ging; Maar, met onafgewend gezicht, Sloot zy den Vlaming de oogen dicht. ‘Rust! Moorder!’ - sprak zy - ‘deze nacht Heeft u den doodsteek toegebracht; Uw zwak, uw uitgevast gestel Moest zwichten in dien laatsten schok, Uw bloedsloop werd verstoord: toen trok Uw hart zich samen, pijnlijk snel! En de ijlings opgestoven vloed Heeft op uw harssens uitgewoed,
Tot dat de vonk was uitgebluscht, Tot dat gy koude vondt en rust.’
Cookies on Poetry Cove