VI.
Zijt gy het, jonge Burchtvrouw, gy?
Die, in dees vensternis verscholen,
U toegeeft in uw mymery,
Uw droeve blikken om laat dolen?
Hebt ge, in 't weemoedig avonduur,
Den zwaren zetel hier geschoven,
Waar 't maanlicht schemert op den muur,
En slaat dien matten blik naar boven? -
Neen, dit 's de blonde Machteld niet,
Die, met den bruidkrans op de lokken,
Het zedig Vlaamsch gehucht verliet,
En Poelgeest's Huizing heeft betrokken;
Die (nog zoo weinig maanden pas!)
Aan vromen Guy door de echt verbonden,
De huwlijksvreugd heeft ondervonden, -
Of kwijnt het echtlijk heil zóó ras?...
Wat zijt ge bleek! Die blaauwende oogen
Verloren zy dien tintelvonk,
Waar levenslust en liefde in blonk?
Een nevel heeft hen overtogen;
Een tranenvloed ontstroomt hen nu -
O Zeg, wat smart vermagerde u?
Gy (gy een beter noodlot waardig)
Wat bui viel, Lelie! zoo wreedaardig?
En, Lam! wat stormwind was zóó ruw?