II.
O, Vraagt ge my wat daar gebeurde?
Wat ramp, wat gruwel, welke schuld
Die zaal met duister heeft vervuld,
De wanden daar zoo somber kleurde?
Wat onderzoekt gy 't wreed verhaal!
Zy werd verwoest, de Zwarte zaal,
Die over zoo veel jammers rouwde,
En toen men 't aadlijk huis herbouwde,
Toen immers dacht de nieuwe Heer
Aan zwart fluweel noch rouwzaal meer,
Maar liet er de eigen kleuren pronken,
Waarvan zijn andre zalen blonken,
En Poelgeest was - gelijk weleer.
- Dan, nieuwe krijg verwoestte 't weêr:
Het scheen den vloek ten prooi geschonken!
Ten derden male een nieuw gesticht
Op d'eigen grondslag opgericht!
Ten derden male in puin gezonken!
Nu niet door d'oorlog omgehaald,
Maar door een naar verval verdorven,
Nu niet verwoest, maar weggestorven,
En in onedel graf gedaald;
Betwist, onteigend en verlaten,
Verviel het slot, als die 't bezaten:
't Geslacht van Poelgeest, zoo vermaard,
Werd langzaam weggevaagd van de aard;
De torens zijn inëen gevallen;
De boom schudd'e al zijn blaadren af:
De laatste Poelgeest slaapt in 't graf,
En wáár zijn Poelgeests breede wallen?