Skip to content
1837

Guy de Vlaming

Nicolaas Beets

XV.

Een denkbeeld ging haar door de ziel! Het was een vrouwlijk denkbeeld, dat Tot nog haar niet getroffen had, Maar nu, een lichtstraal, op haar viel. Zy sloeg een smeekend oog op hem, Die dus haar van zich stiet, En sprak met diepbewogen stem: ‘Ik heb mijn vroegre schoonheid niet!’

‘“Uw schoonheid”’ - riep hy - ‘“vraagde ik ooit Hoe u de hemel had getooid? Uw jeugd heeft nooit my aangetrokken! Voorwaar, geen vlechtinge der lokken, Geen blinkend kleed, geen gouden pracht, Behaagden me ooit in uw geslacht! 't Verborgen hart, de stille geest, Bekoorden my in Machteld meest. Zy waren 't, die mijn ziel - verleidden,.... En nu - indien gy weten moet - Wat hier mijn hart verkrimpen doet.... Rampzalige! het geldt ons beiden!”’ -

Hy trok haar tot zich, blikte in 't rond, En neep haar arm met kracht, Bracht aan heur oor zijn bleeken mond, En zei toen fluisterende en zacht: ‘“'k Geloof - dat wy... verdoemd zijn!”’

Wat? Zei vrome Guy de Vlaming dat? Verdoemd? Verdoemd! Tot Machteld? Neen! Dat zeggen was niet wat het scheen. En toch, haar Egâ sprak het uit,

Dat hartdoorsnijdend wangeluid. Dat woord, zijn blik, zijn woest gezicht - O! Alles werd haar schriklijk licht! Op eens bevroedde zy de kwaal Van dien rampzaligen gemaal; En Machteld hief zich op met kracht, En zag haar gâ met moed en strak In 't rustloos warend oog, en sprak: ‘Wat heeft in dien staat gebragt? Gy ijlt - gy zijt onzinnig.’....

‘“Neen;”’ - Was 't fluistrend andwoord - ‘“nu nog niet! De Booze heeft een kort gebied, Hy laat by wijlen my alleen. Straks zal hy keeren. O! ik ken Hem reeds en weet zijn tijd; - Ik weet in welk gevaar ge zijt Zoo ras ik weêr.... bezeten ben! Maar nu - maar nu - Wees niet vervaard, Ik ben.... bedaard. -

Hy poosde. ‘“Daar zijn oogenblikken,”’ - Dus ging hy voort op kalmer toon, -

‘“Die ik niet afwacht zonder schrikken.... En toch, ik ben ze reeds gewoon! En nu - o! denk niet dat ik ijle - Gy ziet my in de goede wijle, - 't Is vreeslijk, Machteld! maar 't is waar. Ik wilde 't u verzwijgen, maar Ik kòn het niet. Het is gesproken; 't Woord is zijn kerker uitgebroken!.... En, beter is het dat gy 't weet Voor gy Gods vonnis tegentreedt! Wy zijn -”’

Hy zweeg. Niet andermaal Kon hy die schrikbre klanken uiten, De vreeslijkste in der menschen taal, Sints 't Eden achter hen moest sluiten, Waarin dat heilvernielend woord Reeds door de Slang was aangehoord. En zeker 't sloot ons allen buiten, Indien niet Godes heilgenâ Gebleken was op Golgotha.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Guy de Vlaming · Nicolaas Beets · Poetry Cove